Wet oneerlijke handelspraktijken in de landbouw treedt op 1 november 2021 in werking

Wet oneerlijke handelspraktijken in de landbouw

Uit een Koninklijk Besluit van 26 mei 2021 volgt dat de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Wet OHP landbouw) op 1 november 2021 in werking treedt. Deze wet beoogt met name producenten van landbouwproducten te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken (OHP) van afnemers.

Voorgeschiedenis

De Wet OHP landbouw vormt de implementatie van Richtlijn 2019/633 inzake OHP in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Richtlijn). De Richtlijn wordt besproken in de blog: Richtlijn oneerlijke handelspraktijken in de landbouw en voedselvoorzieningsketen gepubliceerd.

In verband met de Richtlijn, heeft de minister van LNV een ontwerp voorstel voor de Wet OHP landbouw opgesteld en vervolgens een consultatie georganiseerd. Meer hierover in de blog: Minister start internetconsultatie voorstel wet OHP landbouw en voedselvoorzieningsketen. Aansluitend is het wetgevingstraject ingezet.

Doel van de Wet OHP landbouw

Het doel van de Wet OHP landbouw is bescherming te bieden aan landbouwproducenten en andere leveranciers van landbouw- en voedingsproducten tegen een aantal nader omschreven OHP. Deze handelspraktijken zijn verboden, indien de leverancier in een onevenwichtige relatie staat tot zijn afnemer.

Materieel deel van de Wet OHP landbouw

Betrokken partijen

De wet OHP landbouw ziet blijkens artikel 2 in beginsel op de contractuele relatie tussen een “leverancier” aan de ene kant en een “afnemer” aan de andere kant. Beide begrippen zijn gedefinieerd (artikel 1 Wet OHP landbouw):

LeverancierAfnemer
Artikel 1 sub (v) Wet OHP landbouwArtikel 1 sub (i) Wet OHP landbouw
een landbouwproducent of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht de plaats van vestiging van die persoon, die landbouw- en voedingsproducten verkoopt, of een groepering van dergelijke landbouwproducenten, natuurlijke personen en rechtspersonen, zoals producentenorganisaties, leveranciersorganisaties en verenigingen van dergelijke organisaties;een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een consument, ongeacht de plaats van vestiging van die persoon, of een overheidsinstantie in de Unie, die landbouw- en voedingsproducten koopt, of een groepering van dergelijke natuurlijke personen of rechtspersonen;

Gelet op bovenstaande definities heeft de Wet OHP landbouw dus betrekking op “leveranciers” die “landbouw- en voedingsproducten” verkopen aan “afnemers” die “landbouw- en voedingsproducten” kopen. Hierbij wordt naar de hele keten gekeken, dat wil zeggen naar de “verschillende stadia van de productie, verwerking, marketing, distributie en detailverkoop van landbouw- en voedingsproducten” (randnr. 5 Richtlijn 2019/633). Bijgevolg is met “leverancier” niet uitsluitend de primaire producent van landbouw- en voedingsproducten bedoeld. Verder maken beide definities duidelijk dat voor het toepassingsbereik “landbouw- en voedingsproducten” het kernbegrip is. Dit begrip is gedefinieerd in artikel 1 sub (iv) Wet OHP landbouw. Het gaat om:

de producten die zijn vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [VWEU], alsmede producten die niet in die bijlage zijn vermeld, maar op basis van in die bijlage vermelde producten zijn verwerkt voor gebruik als levensmiddel;

Deze definitie maakt duidelijk dat we niet alleen te maken hebben met de landbouwproducten die genoemd worden in bijlage I bij het VWEU, maar ook met “levensmiddelen” die op basis van die producten gemaakt zijn. Het begrip “levensmiddel” wordt helaas niet gedefinieerd. Gelet op de definitie in artikel 2 Vo 178/2002 gaat het mogelijk om “voedingsmiddelen”.

OHP

Op het moment dat de Wet OHP landbouw van toepassing is op een contractuele relatie tussen een leverancier en een afnemer, moet de afnemer rekening houden met de absolute verboden (zwarte lijst – artikel 2) en de relatieve verboden (grijze lijst – artikel 3). Absolute verboden zijn niet toegestaan. Relatieve verboden zijn toegestaan mits voorafgaand overeengekomen.

Omzetdrempels

De Wet OHP landbouw is slechts van toepassing op handelsrelaties tussen een grotere afnemer en een kleinere leverancier. Daarvoor is de gehele omzet van zowel de leverancier als de afnemer bepalend (MvT pag. 4). In artikel 5 Wet OHP landbouw worden in dit kader de navolgende categorieën geformuleerd:

Handhaving van de Wet OHP landbouw

Civiele handhaving

Op het moment dat de Wet OHP landbouw op een contractuele relatie tussen een leverancier en een afnemer van toepassing is, levert het overtreden van de zwarte en/of grijze lijst een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW (MvT pag. 13). Het in die situatie hanteren van OHP is immers verboden (artikel 7 lid 1 Wet OHP landbouw). Leveranciers die zich hiermee geconfronteerd zien, kunnen de kwestie aan de civiele rechter voorleggen. In dit kader is nog relevant dat de zwarte en grijze lijst op grond van artikel 5 Wet OHP landbouw van “bijzonder dwingend recht” zijn. De verboden zijn daarom ook van toepassing als de leverancier en de afnemer hebben afgesproken dat het recht van een ander land op hun onderlinge overeenkomst van toepassing is (MvT pag. 18).

Geschillencommissie

Ingevolge artikel 6 Wet OHP landbouw kan de Commissie een geschillencommissie aanwijzen. Dit moet een laagdrempeliger alternatief voor de civiele rechter bieden. De wet bepaalt dat afnemers van rechtswege aangesloten zijn bij de betreffende geschillencommissie. Op het moment dat een leverancier een geschil aan de geschillencommissie voorlegt, kan die een bindende uitspraak doen. Zowel de leverancier als de afnemer blijven echter bevoegd om binnen drie maanden na datum uitspraak de zaak aan de civiele rechter voor te leggen (artikel 6 lid 3 Wet OHP landbouw).

Autoriteit Consument en Markt

Naast de civiele handhaving, wordt de Wet OHP landbouw blijkens artikel 7 gehandhaafd en wel door de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In geval van een overtreding kan de ACM (artikel 9 Wet OHP landbouw):

(a)een besluit nemen tot vaststelling van die overtreding
(b)de overtreder een bestuurlijke boete opleggen
(c)de overtreder een last onder dwangsom opleggen

De maximale boete bedraagt € 900.000,–, of, als dat meer is, 10% van de omzet. In geval van recidive kan de boete met 100% worden verhoogd. (artikel 10 Wet OHP landbouw).

* foto van Jatuphon Buraphon via Pixabay



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

negentien + 3 =