Verplicht meewerken aan onderzoek NZa, wanneer wel, wanneer niet

De rechtbank Rotterdam (rechtbank) is in een uitspraak van 26 januari 2012 tot het oordeel gekomen dat zorgverleners medewerking moeten verlenen aan een door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ingesteld onderzoek, zelfs als er forse kritiek op dit onderzoek is. Dit is slechts dan anders als de opgevraagde informatie in het geheel niet kan bijdragen aan de taak van de NZa. Maar ook als de informatie wel kan bijdragen aan de taak van de NZa, is de medewerkingsplicht niet onbegrensd. Persoonlijke omstandigheden kunnen verhinderen dat de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn wordt verstrekt. De NZa moet daar rekening mee houden.

De casus

In 2008 organiseerde de NZa het Kostenonderzoek Huisartsenzorg 2008. In dit kader selecteerde de NZa diverse huisartsen die vervolgens een brief kregen om informatie te verschaffen over onder andere hun praktijkkosten. In deze brief deelde de NZa mee dat de geselecteerde huisarts verplicht is mee te werken aan het onderzoek en dat een boete of dwangsom zou worden opgelegd als niet aan het informatieverzoek zou worden voldaan.

Het onderzoek leidde tot veel kritiek op zowel de opzet en de wijze van uitvoering, alsook de ondeugdelijkheid van vraagstellingen en de aannames van de NZa. De heer Mitrasing, huisarts in Heerhugowaard, was een van de geselecteerde huisartsen. Hij kreeg tot 20 januari 2009 de tijd om de door de NZa gevraagde informatie te verschaffen. Vanwege persoonlijke omstandigheden slaagde de heer Mitraseng er niet in aan het verzoek van de NZa te voldoen. Daarom vroeg hij om een uitstel. In plaats van op het uitstelverzoek in te gaan, rappelleerde de NZa de heer Mitrasing. Nadat de heer Mitrasing de NZa om een bevestiging vroeg van zijn verzoek om uitstel, verleende de NZa een uitstel van twee weken. Een tweede uitstelverzoek werd door de NZa niet gehonoreerd. Aangezien de Mitrasing uiteindelijk de door de NZa verlangde informatie niet tijdig aanleverde, legde de NZa een boete op van € 1.367,11. Nadat het bezwaar van de heer Mitrasing tegen dit besluit door de NZa ongegrond werd verklaard, ging heer Mitrasing beroep in bij de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de NZa bevoegd was om van de huisartsen gegevens en informatie te vorderen. Ondanks de fundamentele kritiek op de opzet van het onderzoek en de vragenlijst, waren de geselecteerde huisartsen verplicht aan het onderzoek mee te werken. Dit volgt uit artikel 61 lid 1 aanhef en onder sub a Wet marktwerking gezondheidszorg (Wmg), waarin is bepaald dat eenieder verplicht is de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke de NZa redelijkerwijs nodig heeft voor uitvoering van zijn taken. Volgens de Rechtbank konden de opgevraagde gegevens bijdragen aan het door de NZa vervullen van zijn taak.

In beginsel had de heer Mitrasing dus de verlangde gegevens moeten verstrekken. Echter, de persoonlijke omstandigheden van de heer Mitrasing verhinderden dat. De NZa had de persoonlijke omstandigheden niet betwist, maar simpelweg aangenomen dat deze onvoldoende ernstig waren om een uitstel te rechtvaardigen. Volgens de NZa had de heer Mitrasing maar eerder met de beantwoording moeten beginnen. Met dit oordeel is de NZa het niet eens. Iedereen mag in beginsel de responstijd naar eigen inzicht benutten. Dit klemt te meer nu er in de beroepsgroep grote weerstand bestond tegen het onderzoek en er, mede namens de heer Mitrasing, met de NZa werd gecorrespondeerd over de inhoud van de enquête. De NZa heeft de heer Mitrasing volgens de Rechtbank daarom ten onrechte geen uitstel of vrijstelling gegeven. Dit betekent dat de heer Mitrasing artikel 61 Wmg niet heeft overtreden, zodat de NZa geen boete had mogen opleggen.

Commentaar

Niet alleen aan verzoeken om medewerking van de NZa moet een ieder meewerken. Uit artikel 5:20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat aan verzoeken van elke toezichthouder moet worden meegewerkt. Zo verzoekt ook de NMa zorgaanbieders regelmatig om mee te werken aan een (markt)onderzoek. Deze medewerkingsplicht is echter niet onbeperkt. De opgevraagde informatie moeten op de eerste plaats verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de toezichthouder. Als er in beginsel al een medewerkingsplicht is, kunnen persoonlijke omstandigheden meebrengen dat er toch niet hoeft te worden meegewerkt. In dit kader mag de toezichthouder niet tegenwerpen dat op de persoonlijke omstandigheden geen beroep kan worden gedaan, omdat de responstijd beter had kunnen worden benut. Iedereen mag immers in beginsel de responstijd naar eigen inzicht benutten.



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

twee + 3 =