Verhuur van een te renoveren lokaal voetbalstadion kan staatssteun zijn

voetbal en staatssteun

De Europese Commissie (Commissie) is in een besluit van 2 oktober 2013 tot de conclusie gekomen dat de voorgenomen verhuur van het te renoveren voetbalstadion in de Duitse gemeente Chemnitz aan de lokale profvoetbalclub Chemnitzer FC (CFC) staatssteun vormt. De voorgenomen maatregel is volgens de Commissie echter in overeenstemming met de interne markt en dus toegestaan.

De casus

De gemeente Chemnitz is van plan het lokale uit 1934 daterende voetbalstadion te renoveren en vervolgens te verhuren aan CFC. De renovatie gaat 25 miljoen euro kosten. Na renovatie wordt het stadion verhuurd aan CFC voor een huur van 2,5 % van de omzet van CFC, met een minimum van 180.000,– euro per jaar. Op dit moment huurt CFC het stadion voor een bedrag van 25.000,– euro. Naast de huurprijs, moet CFC na de renovatie ook de exploitatie- en onderhoudskosten van het stadion dragen. Hiermee zal ongeveer 612.000,– euro gemoeid zijn.

Duitsland had samen met de Duitse Voetbalbond een benchmark uitgevoerd waaruit bleek dat de huur voor vergelijkbare stadions aan met CFC vergelijkbare voetbalclubs jaarlijks tussen de 45.000,– en 450.000,– euro bedraagt. De grote verschillen tussen de huurprijzen worden volgens Duitsland veroorzaakt door het feit dat soms ook onderhouds- en energiekosten onderdeel van de huurprijs uitmaken. Aangezien CFC zelf de onderhouds- en energiekosten moet gaan betalen, is Duitsland van mening dat een huurprijs van 180.000,– euro marktconform is.

Beoordeling door de Commissie

Staatssteun

De Commissie volgt Duitsland niet in het betoog dat de huurprijs marktconform is en komt tot de conclusie dat er sprake is van staatssteun.

De renovatie van het stadion wordt voor 100% met staatsmiddelen bekostigd. Na renovatie gaat CFC het stadion exploiteren. Dit is relevant, omdat op grond van het arrest Leipzig-Halle bij infrastructurele projecten gekeken moet worden naar het uiteindelijke gebruik om vast te stellen of sprake is van staatssteun. Als gebruiker van het stadion verricht CFC economische activiteiten, zoals de verkoop van uitzendrechten en toegangskaarten, deelname aan toernooien, transfers van spelers, merchandising en sponsoring. Als de huur die CFC moet gaan betalen niet marktconform is, kan CFC daardoor bevoordeeld worden ten opzichte van concurrerende voetbalclubs. Op basis van de door Duitsland uitgevoerde benchmark kan de Commissie niet beoordelen of de huurprijs echt marktconform is. Daarom kan de Commissie niet uitsluiten dat CFC wordt bevoordeeld.

CFC neemt niet deel aan internationale toernooien en de bezoekers komen voornamelijk uit de regio. Verder is ook de sponsoring en merchandising een lokale aangelegenheid. Toch is de Commissie van mening dat de maatregel effect kan hebben op de handel tussen de lidstaten. CFC is namelijk, zij het heel beperkt, actief op de internationale transfermarkt. Door de maatregel zou CFC in concurrentie met buitenlandse voetbalclubs internationale spelers kunnen aantrekken. Maar ook als er geen transferbetalingen plaatsvinden, kan de maatregel meebrengen dat CFC betere spelers aan zich weet te binden. Dit heeft weer gevolgen voor de concurrentie tussen voetbalclubs.

Daarnaast zijn de sport- en muziekevenementen die in het stadion zullen worden georganiseerd voornamelijk gericht op de lokale bevolking. Toch kan de Commissie ook ten aanzien van deze evenementen niet uitsluiten dat de handel tussen de lidstaten wordt beïnvloed. De markt voor commerciële sport- en muziekevenementen heeft immers een internationaal karakter.

Verenigbaarheid met de interne markt

De verhuur van het stadion kan met de interne markt verenigbaar zijn als hiermee een doel van algemeen belang wordt nagestreefd en de financiering noodzakelijk en proportioneel is. Daarnaast mag de vervalsing van de mededinging niet bovenmatig zijn.

De bouw van sportinfrastructuur en het organiseren van sport- en muziekevenementen kunnen volgens de Commissie het algemeen belang dienen, want sport heeft een grote betekenis voor de integratie tussen de Europese burgers. Daarom is het zo belangrijk dat het stadion in ruime mate ook door amateurs kan worden gebruikt. Samen met het mogelijk maken van culturele evenementen is het ter beschikking stellen van sportinfrastructuur voor breedtesport een typisch gemeentelijke taak.

De financiering van de renovatie is volgens de Commissie noodzakelijk. Het stadion is immers gedateerd en voldoet niet meer aan de eisen van de Duitse Voetbalbond. Daarnaast is de financiering in de ogen van de Commissie proportioneel. Gelet op de benchmark is de huurprijs gemiddeld. Bovendien draagt CFC in belangrijke mate bij aan de herfinanciering van het stadion.

Tot slot zal de vervalsing van de handel en de mededinging tussen de lidstaten niet bovenmatig zijn. Het gaat voornamelijk om lokale activiteiten die nauwelijks internationale aantrekkingskracht zullen hebben.

Commentaar

De onderhavige zaak laat zien dat de renovatie en verhuur van lokale sportinfrastructuur rekening moet houden met de staatssteunregels. Wat opvalt is dat Duitsland heeft geprobeerd door middel van een benchmark aan te tonen dat de huurprijs marktconform was. Helaas voor de Duitsland leverde de benchmark geen eenduidig beeld op. In de zaak Omniworld Almere uit 2005 was een simpele vergelijking van huurprijzen nog voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de huurprijs marktconform was. De lat lijkt nu hoger te liggen.

Als niet kan worden uitgesloten dat de maatregel geen staatssteun behelst, is op dit moment melding noodzakelijk. Binnenkort gaat dat voor bepaalde steunmaatregelen echter veranderen. Er wordt namelijk gewerkt aan een tweede Algemene groepsvrijstelling (AGVV II). Blijkens de concept AGVV II hoeft steun voor sportinfrastructuur niet meer gemeld te worden als aan de voorwaarden van de AGVV II is voldaan.



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

5 + 7 =