Toch boetes in de Rotterdamse taxizaak

boete wegens bid rigging in Rotterdamse taxizaak

In twee uitspraken van 23 april 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) twee taxibedrijven veroordeeld tot hoge boetes wegens overtreding van het kartelverbod. De rechtbank Rotterdam (rechtbank) had eerder de boetebesluiten van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) nog vernietigd.

De casus

De zaak draait om afspraken die de Rotterdamse Mobiliteit Centrale (RMC) met IJsselsteden respectievelijk BIOS had gemaakt over aanbestedingen voor (groeps)vervoer van scholieren, gehandicapten, ouderen en zieken in de regio Rotterdam. De ACM merkte dit aan als een zeer zware overtreding van het kartelverbod en legde boetes op. De rechtbank vernietigde deze boetes. De casus en het oordeel van de rechtbank worden besproken in de blog: Boetebesluiten ACM in Rotterdamse taxizaak onderuit. Tegen de uitspraken van de rechtbank ging de ACM in beroep bij het CBb.

Oordeel van het CBb

Relevante markt

De taxibedrijven meenden dat hun overeenkomsten de mededinging slechts in zeer geringe mate had kunnen beperken. Gelet op zowel het doel van de overeenkomsten, de aard van de betrokken diensten, als de structuur en de daadwerkelijke condities van het functioneren van de markt, stelt het CBb vast dat de taxibedrijven elkaar in de regio Rotterdam structureel “tegen” kwamen en opdrachten gegund kregen. Bijgevolg is van een zwakke positie geen sprake.

Daarnaast stelden de taxibedrijven dat er sprake was van een bagatel als bedoeld in artikel 7 lid 2 Mw. Allereerst wijst het CBb erop dat moet worden uitgaan van de bagatelregeling zoals die luidde vóór de wetswijziging van 3 december 2011. Teneinde te kunnen beoordelen of aan de cumulatieve voorwaarden van deze bagatelregeling is voldaan, moet de relevante markt worden afgebakend. Anders dan de rechtbank, is het CBb van mening dat de ACM voldoende onderzoek heeft gedaan om vast te stellen dat de relevante markt wordt gevormd door contractueel taxivervoer in de regio Rotterdam. Gelet op de door de taxibedrijven op die markt behaalde omzet, moet hun marktaandeel groter dan 5% zijn geweest. Om onder de 5% grens te blijven had de totale markt voor contractueel taxivervoer in de regio Rotterdam meer dan € 558 mln moeten bedragen. Bij een landelijke marktomvang van bijna € 1,3 mrd, ligt dit niet voor de hand. Het beroep op artikel 7 lid 2 Mw slaagt dus niet.

Overeenkomst en doelbeperking

Volgens het CBb is het niet relevant op welke wijzen de taxibedrijven uitvoering aan hun overeenkomsten hebben gegeven. Vast staat dat de taxibedrijven zich niet publiekelijk hebben gedistantieerd. Hoewel de ACM niet hoeft te bewijzen dat de taxibedrijven conform de overeenkomsten hebben gehandeld, blijkt uit dossier dat zij zich wel degelijk door de overeenkomsten hebben laten leiden.

Uit het Siemens arrest (r.o. 218) volgt dat marktverdelingsafspraken een mededingingsbeperkende strekking hebben. Gelet op het T-mobile Netherlands arrest (r.o. 30) hoeven de gevolgen van dergelijke afspraken voor de mededinging niet meer te worden onderzocht.

De overeenkomsten hebben de taxibedrijven beperkt om onafhankelijk en naar eigen inzicht in te schrijven op aanbestedingen van contractueel taxivervoer in de regio Rotterdam. De overeenkomsten waren in zoverre een middel om de markt onderling te verdelen en hadden (mede) tot doel de onderlinge concurrentie tussen de taxibedrijven te beperken.

De boete

De taxibedrijven meenden dat de ACM de overtreding ten onrechte als “zeer zwaar” had aangemerkt. Zo zouden de taxibedrijven bij deze kwalificatie het risico lopen door aanbestedende diensten van aanbestedingen te worden uitgesloten. De overtreding zou daarom hoogstens als “minder zwaar” moeten worden aangemerkt. Het CBb gaat hier niet in mee.

Bij het bepalen van de boetegrondslag had de ACM volgens de taxibedrijven ten onrechte omzet meegenomen die zij zelfstandig hadden behaald. Volgens het CBb hoeft de ACM zich bij het bepalen van de boetegrondslag niet te beperken tot de omzet die aantoonbaar met de overtreding is behaald. Bij de betrokken omzet gaat het om het economische belang van het betrokken product of de betrokken dienst voor de individuele onderneming.

Met de taxibedrijven is het CBb het wel eens dat de redelijke termijn is overschreden. In kartelzaken acht het CBb een termijn van vijfeneenhalf jaar ter rekenen vanaf het uitbrengen van het rapport redelijk. In het onderhavige geval heeft de procedure zeven jaar en 11 maanden geduurd. Hierin zit het CBb aanleiding een korting toe passen. Het CBb legt tenslotte de navolgende boetes op:

Taxibedrijf Overeenkomst Boete
RCC RMC – IJsselsteden € 4.008.000,–
RMC – Bios € 3.716.000,–
Bios RMC – Bios €    618.000,–

Commentaar

Wat aan de besproken uitspraken vooral opvalt is de pragmatische manier waarop het CBb de discussie over de toepasselijkheid van de bagatelregeling oplost. Teneinde te kunnen nagaan of een overeenkomst voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van de bagatelregeling moet de relevante markt worden afgebakend. De afbakening is echter geen doel op zich, maar een instrument om de concurrentiedwang waar ondernemingen mee worden geconfronteerd te analyseren. De mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In de onderhavige casus kon de ACM door middel van deductie vaststellen dat niet aan de cumulatieve voorwaarden van de bagatelregeling was voldaan. Een nadere marktafbakening was daarom niet nodig.

* foto van Pexels via Pixabay, het aanbestedingssymbool is van mijn hand en door mij ingevoegd



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

negen − drie =