Staatssteun en toerekening aan de staat: de zaak Commerzbank Nederland

garantie en staatssteun

In een arrest van 17 september 2014 heeft het Hof van Justitie (Hof) op vragen van de Hoge Raad geantwoord dat het verstrekken van een garantie door een overheidsonderneming mogelijk toch aan de staat kan worden toegerekend als de garantie door de bestuurder van de overheidsonderneming onder andere onbevoegd is verstrekt.

De casus

De casus draait om een garantie die de bestuurder van het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (HbR) in 2004 had verstrekt in verband met een krediet van € 25 miljoen dat de Commerzbank Nederland in 2003 aan RDM had verstrekt. Nadat de Commerzbank het krediet in augustus 2004 had opgezegd en RDM niet in staat bleek het krediet terug te betalen, sprak de Commerzbank het HbR aan. Die weigerde echter de garantie gestand te doen. De garantie zou in strijd met de staatssteunregels zijn verstrekt en daarom nietig zijn. Een langdurig juridisch geschil was geboren.

De rechtbank Rotterdam en het gerechtshof ’s-Gravenhage stelden het HbR in het gelijk. Hierop werd legde de Commerzbank de zaak voor aan de Hoge Raad. Die stelde in een arrest van 26 april 2013 prejudiciële vragen aan het Hof. Dit arrest wordt besproken in de blog: Garanties en staatssteun: de Hoge Raad stelt vragen aan het Hof van Justitie.

Oordeel van het Hof

Volgens het Hof vraagt de Hoge Raad zich kort samengevat af of de door de bestuurder van het HbR verleende garantie ook aan de Gemeente kan worden toegerekend in de situatie dat de betreffende bestuurder (1) onwettig heeft gehandeld, (2) het verlenen ervan bewust geheim heeft gehouden, (3) de statuten van zijn bedrijf heeft genegeerd en voorts (4) dat die overheidsinstantie zich tegen het verlenen van die garanties zou hebben verzet indien zij daarvan in kennis was gesteld (r.o. 29).

Ten tijde van de garantieverstrekking waren alle aandelen van het HbR in handen van de gemeente Rotterdam (Gemeente). Hieruit leidt het Hof af dat de Gemeente in staat was het HbR te controleren en een beslissende invloed op de activiteiten ervan uit te oefenen. Deze bevoegdheid rechtvaardigt echter niet automatisch het vermoeden dat deze controle in een concreet geval ook metterdaad wordt uitgeoefend. Er moet daarnaast worden nagegaan of de overheid op een of andere manier bij de vaststelling van de maatregelen was betrokken (r.o. 31). Hierbij hoeft niet op basis van een gedetailleerd onderzoek te worden aangetoond dat de overheid het openbaar bedrijf er concreet toe heeft aangezet de betrokken steunmaatregelen te nemen. De toerekenbaarheid aan de Staat van een steunmaatregel van een openbaar bedrijf kan immers worden afgeleid uit een samenstel van aanwijzingen die blijken uit de omstandigheden van de zaak en de context waarin deze maatregel is genomen. In het bijzonder is elke aanwijzing relevant waaruit in het concrete geval blijkt dat de overheid betrokken is bij de vaststelling van een maatregel, of dat het “onwaarschijnlijk is” dat zij hierbij niet betrokken is, mede gelet op de omvang van deze maatregel, op de inhoud ervan of op de eraan verbonden voorwaarden (r.o. 32-33).

Commentaar

Van staatssteun in de van van artikel 107 lid  VWEU is sprake als (i) een of meer ondernemingen (ii) een selectief voordeel ontvangen, dat (iii) door de staat wordt verstrekt of met staatsmiddelen worden bekostigd, (iv) waardoor de mededinging wordt vervalst en (v) de handel tussen de lidstaten wordt beïnvloed.

De onderhavige zaak gaat over het derde criterium. De garantie waar het HbR en de Commerzbank over procederen, is niet door de staat (de Gemeente), maar door de bestuurder van een overheidsbedrijf (HbR) verstrekt. In een dergelijke situatie moet worden gekeken of deze verstrekking aan de staat (de Gemeente) kan worden toegerekend. Bij gebreke hiervan kwalificeert de garantie niet als staatssteun en die bijgevolg niet in strijd met de staatssteunregels verstrekt.

Het HbR is met ingang van 1 januari 2004 verzelfstandigd en vormde sedertdien geen onderdeel meer van de Gemeente. Wel was de Gemeente enig aandeelhouder van het HbR. De hierdoor geboden mogelijkheid om het HbR te controleren en er beslissende invloed op uit te oefenen is echter onvoldoende om het verstrekken van de garantie aan de gemeente toe te rekenen. Voor toerekening aan de Gemeente moet er meer zijn. Uit de omstandigheden van het geval moet blijken of (i) de Gemeente daadwerkelijk bij de verstrekking betrokken was of, (ii) dat het onwaarschijnlijk is dat dit niet het geval was.

In de prejudiciële vraag had de Hoge Raad vier specifieke omstandigheden genoemd die zouden kunnen wijzen op het ontbreken van gemeentelijke betrokkenheid. Volgens het Hof moet de nationale rechter, “rekening houdend met het samenstel van relevante aanwijzingen”, onderzoeken of op basis van de vier omstandigheden uitgesloten kan worden dat de Gemeente bij het verlenen van die garantie was betrokken (r.o. 38). Hierbij wijst het Hof er wel op dat de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden “in een situatie als in het hoofdgeding” toerekenbaarheid aan de Gemeente “niet uitsluiten” (r.o. 39). Het Hof lijkt vooral belang te hechten aan het bestaan van “organieke banden” tussen het HbR en de Gemeente. In de visie van het Hof wijzen die er “in principe op” dat de Gemeente bij het verlenen van de gewraakte garanties betrokken was, of dat het onwaarschijnlijk is dat dit niet was (r.o. 35).

Nu het Hof antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen, gaat de behandeling van de zaak bij de Hoge Raad weer verder.

* foto van Harold Wijnholds via www.unsplash.com



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

vier + 3 =