Staatssteun en een definitief geworden beslissing van een nationale rechter: de zaak Klausner Holz

Als een nationale rechter vaststelt dat de maatregel waarover hij moet oordelen onrechtmatige staatssteun vormt, moet hij daar alle consequenties uit trekken. Een nationale rechtsregel die dit verhindert vanwege een definitief geworden eerdere rechterlijke uitspraak, is in strijd met het Unierecht. Dit volgt uit een arrest van 11 november 2015 van het Hof van Justitie van de EU (Hof).

De casus

In 2007 sloot Klausner Holz houtleveringsovereenkomsten met de Duitse deelstaat Noordrijn Westfalen (Deelstaat) over de levering van hout. In de periode 2007-2014 zou de Deelstaat een vaste hoeveelheid hout verkopen tegen vooraf vastgestelde prijzen. In 2009 zegde de Deelstaat de houtleveringsovereenkomsten op en staakte de leveranties. In een vonnis van 17 februari 2012 stelde het Landgericht (LG) Münster vast dat de houtleveringsovereenkomsten nog steeds geldig waren. Dit vonnis werd in hoger beroep bevestigd door het Oberlandesgericht (OLG) Hamm in een arrest van 3 december 2011.

Klausner Holz vorderde vervolgens bij het LG Münster schadevergoeding van de Deelstaat. Voor het eerst in deze procedure stelde de Deelstaat zich op het standpunt dat de houtleveringsovereenkomsten onrechtmatige staatssteun behelsden. De Deelstaat meende niet als particuliere verkoper te hebben gehandeld. Het LG vroeg advies aan de Europese Commissie (Commissie). Toen dit verzoek werd geweigerd vanwege de stand van de nationale procedure, stelde het LG autonoom vast dat sprake was van onrechtmatige steun. Op grond van rechtspraak van het Bundesgerichtshof, zijn met de staatssteunregels strijdige privaatrechtelijke overeenkomsten in Duitsland als nietig te beschouwen [r.o. 14]. Het LG meende deze consequentie echter niet aan de houtleveringsovereenkomsten te kunnen verbinden. Het arrest van het OLG Hamm was definitief was geworden en had gezag van gewijsde had gekregen. Daarom vroeg het LG aan het Hof hoe hier mee moest worden omgegaan.

Oordeel van het Hof

Bevoegheidsverdeling Commissie en nationale rechter

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een maatregel die staatssteun vormt pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat de Commissie een positieve eindbeslissing heeft genomen (de zogenaamde standstill verplichting). Als enige instantie is de Commissie bevoegd te onderzoeken of een steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. De nationale rechter is op grond van artikel 108 lid 3 VWEU verplicht consequenties te verbinden aan maatregelen die in strijd met vorenbedoeld uitgangspunt ten uitvoer zijn gebracht. De taak van de nationale rechter bestaat er dan ook in maatregelen op te leggen die de onwettigheid van de uitvoering van steunmaatregelen kunnen opheffen, zodat de ontvanger niet vrijelijk kan blijven beschikken over de steun in de periode die resteert tot de beslissing van de Commissie [r.o. 25].

Onderzoek of er echt geen ruimte is om nakoming Unierecht te verzekeren

Volgens het Hof moet het LG allereerst onderzoeken of er ondanks het gezag van gewijsde bewarende maatregelen kunnen worden genomen totdat de Commissie een besluit heeft genomen. Verder moet het LG onderzoeken of het gezag van gewijsde ook geldt voor rechtsvorderingen waarover de rechter in het definitieve arrest geen uitspraak heeft gedaan. Voor het geval een dergelijke maatregel of uitlegging niet zouden kunnen worden overwogen, wijst het Hof erop dat het gezag van gewijsde er voor zorgt dat hetzelfde geschilpunt niet bij herhaling aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen.

Als de nationale regels geen ruimte bieden om nakoming Unierecht te verzekeren

Bij gebreke van een Unieregeling is het aan de lidstaten om uitvoering te geven aan het beginsel van het gezag van gewijsde. De gehanteerde procesregels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale rechten gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het recht van de EU verleende rechten mag in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel). Het Hof stelt vast dat de uitleg die het LG Münster aan de werking van het gezag van gewijsde de naleving van artikel 108 lid 3 VWEU onmogelijk maakt. Het zou overheden immers de mogelijkheid bieden de staatssteunregels te omzeilen. Verder zou het afbreuk doen aan het nuttig effect van de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie om te beoordelen of steunmaatregelen verenigbaar zijn met de interne markt. De uitvoering van een besluit van Commissie waarbij terugvordering wordt gelast, zou er door worden verhinderd. De rechtsregel die belet dat een nationale rechter consequenties verbindt aan onrechtmatige staatssteun vanwege een eerder definitief geworden uitspraak is daarom in strijd met EU recht.

Commentaar

Partijen die een juridisch geschil hebben, kunnen dit aan de rechter voorleggen. Tegen de uitspraak van deze rechter kan meestal bij een hogere rechter beroep worden ingesteld. De uitspraak van deze beroepsrechter kan vaak nog ter toetsing aan een cassatierechter worden voorgelegd. Die rechter kijkt dan of het recht goed is toegepast. Maar uiteindelijk is het geschil beslecht en ligt er een definitieve uitspraak. Het is niet de bedoeling dat het geschil nog een keer opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd. Maar ja, wat als niet alle argumenten zijn gewisseld? Die situatie deed zich voor in de onderhavige zaak. Het arrest van het Hof laat zien dat het noodzakelijk kan zijn om terug te komen op een definitief vonnis van een nationale rechter indien dat nodig is om de naleving van de staatssteunregels te verzekeren.
.
De vraag is welke maatregel het LG Münster nu moet nemen. Ten aanzien van de houtverkoopovereenkomsten werd het onrechtmatige karakter veroorzaakt door het feit dat de maatregel in strijd met de standstill verplichting ten uitvoer was gelegd. Duitsland blijkt de maatregel alsnog te hebben gemeld [r.o. 44 – staatssteunzaak SA.37113]. De Commissie kan na onderzoek tot de conclusie komen dat er van staatssteun geen sprake is, of dat de staatssteun verenigbaar is met de interne markt. In die situatie is er voor nietigheid geen reden. Uit het CELF I arrest [r.o. 46 en 52] volgt immers dat in voorkomend geval het voordeel niet hoeft te worden terugbetaald. Mogelijk ligt het daarom voor de hand dat het LG Münster slechts bewarende maatregelen neemt “teneinde enerzijds de belangen van de betrokken partijen te beschermen en anderzijds het nuttige effect van de latere beslissing van de Commissie te behouden” [r.o. 26].



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

3 − 2 =