Rechtbank Midden-Nederland: branchebeschermingovereenkomst vormt doelbeperking

Branchebeschermingsovereenkomst

In een vonnis van 30 juni 2021 is de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (Voorzieningenrechter) tot de conclusie gekomen dat een branchebeschermingsbeding in een splitsingsakte het doel heeft de mededinging te beperken. Omdat daarmee zou vaststaan dat de mededinging merkbaar wordt beperkt, acht de Voorzieningenrechter het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het beding op grond van artikel 6 lid 1 Mw verboden is en overeenkomstig het tweede lid nietig.

De casus

In een uit 1959 stammende splitsakte met betrekking tot een winkelcentrum is navolgend “non-concurrentiebeding” opgenomen:

Ieder der eigenaren zal het recht hebben op uitsluitend gebruik van de hem toekomende gebruikseenheid.

Het is de eigenaar evenwel verboden in zijn gebruikseenheid een bedrijf uit te oefenen (of de uitoefening daarvan toe te laten) dan wel daarin een zaak te drijven (of het drijven daarvan toe te laten) gelijk aan – of verwant met – een bedrijf dat – of een onderneming die -, nu of te eniger tijd, ingevolge de bovenomschreven bestemming wordt uitgeoefend in één der andere gebruikseenheden, zullende met name geen goederen mogen worden verhandeld, welke als hoofdartikel(en) in één der andere gebruikseenheden ingevolge de bovenomschreven bestemming mogen worden verhandeld.”

Eiser en Domeco Investments B.V. (Domeco) zijn beide appartementsrechteigenaar van winkelruimte in het winkelcentrum. Eiser exploiteert sinds 20 december 2018 in zijn winkelruimte een kapsalon. Domeco verhuurt haar winkelruimte sinds 1 november 2020 aan gedaagde sub 2, die er op 3 maart 2021 een kapsalon begon. Eiser meende dat Domeco en gedaagde sub 2 hiermee in strijd handelen met het non-concurrentiebeding in splitsingsakte. Daarom sommeerde hij hen meermaals het non-concurrentiebeding na te leven en geen concurrerende activiteiten vanuit het winkelcentrum te verrichten. Omdat Domeco en gedaagde sub 2 geen gevolg gaven aan deze sommaties, startte eiser een kort geding bij de Voorzieningenrechter.

Oordeel van de Voorzieningenrechter

Domeco en gedaagde sub 2 stelden zich onder meer op het standpunt dat eiser geen beroep kan doen op het non-concurrentiebeding, omdat dit beding nietig zou zijn wegens strijd met artikel 6 Mededingingswet (Mw).

De Voorzieningenrechter stelt vast dat de appartementseigenaren van de winkelruimtes waarop het splitsingsakte van toepassing is en die zijn verenigd in een vereniging van eigenaren (vve), op grond van artikel 2 lid 1 van de splitsingsakte jegens elkaar zijn gebonden om elkaar – kort gezegd – geen concurrentie aan te (laten) doen. Hiermee is feitelijk sprake van een overeenkomst tussen ondernemingen, dan wel een besluit van een ondernemersvereniging. Deze overeenkomst heeft volgens de Voorzieningenrechter duidelijk de strekking om de mededinging op een deel van de Nederlandse markt te verhinderen of te beperken. In dit kader merkt de Voorzieningenrechter op dat partijen het erover eens zijn dat de relevante markt voor kappers in het onderhavige geval wordt gevormd door het winkelcentrum.

Gezien de mededingingsbeperkende strekking van het non-concurrentiebeding, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging niet verder te worden onderzocht. Op basis hiervan stelt Voorzieningenrechter ervan te kunnen gegaan dat het beding een merkbare beperking van de mededinging vormt. Daarom acht de Voorzieningenrechter het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het beding op grond van artikel 6 lid 1 Mw verboden is en op grond van het tweede lid nietig, zodat eiser op het beding uit de splitsingsakte geen beroep kan doen. De Voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser bijgevolg af.

Commentaar

Het besproken vonnis doet vermoeden dat het beroep op het kartelverbod een gelegenheidsargument was dat in de procedure niet helemaal uit de verf gekomen is.

Branchebescherming

Het gewraakte non-concurrentiebeding is feitelijk een branchebeschermingsovereenkomst die strekt tot het beperken van de toelating tot een winkelcentrum van ondernemingen die rechtstreeks gelijke of gelijksoortige goederen of diensten aan eindgebruikers plegen aan te bieden als reeds in het winkelcentrum gevestigde ondernemingen. Zie in dit kader bijvoorbeeld artikel 1 sub b Besluit vrijstelling branchebeschermingsovereenkomsten.

Overeenkomst

Gedaagde 2 is slechts huurder en in zoverre niet gebonden aan de branchebeschermingsovereenkomst. Domeco is dat natuurlijk wel. Via Domeco kan gedaagde 2 verhinderd worden in het Winkelcentrum een kapperszaak te exploiteren. In zoverre is het begrijpelijk dat de Voorzieningenrechter onder verwijzing naar het Asnef Equifax arrest (r.o. 31) spreekt over een overeenkomst tussen ondernemingen. Al had een verwijzing naar het Maxima Latvija arrest meer voor de hand gelegen.

Doelbeperking

Zonder enige toelichting stelt de Voorzieningenrechter dat de branchebeschermingsovereenkomst duidelijk het doel heeft de mededinging te beperken. Uit het Maxima Latvija arrest volgt juist het tegendeel. Domeco en gedaagde 2 hadden dus moeten aantonen dat de branchebeschermingsovereenkomst de mededinging merkbaar beperkt. Wat niet zal hebben geholpen, is dat partijen het winkelcentrum als de relevante geografische markt voor kappers hebben aangemerkt. Dit lijkt mij een veel te enge afbakening. 

Nevenrestrictie

Uit het Schuitema arrest kan worden opgemaakt dat een branchebeschermingsovereenkomst onder omstandigheden een nevenrestrictie kan zijn. In voorkomend geval is het kartelverbod niet van toepassing. Bij een nevenrestrictie is er sprake van een beperking van de mededinging die rechtstreeks verband houdt met en nodig is voor de verwezenlijking van een niet-beperkende hoofdtransactie en daaraan evenredig is (zie: randnr. 29 Richtsnoeren toepassing artikel 81 lid 3 EG). In het Schuitema arrest oordeelde de Hoge Raad dat een bloemenzaak die winkelruimte in een supermarkt huurde, deze winkelruimte niet zou hebben gehuurd als hij wist dat de supermarkt zelf ook bloemen zou verkopen. Aldus vormde de branchebeschermingsovereenkomst volgens de Hoge Raad een nevenrestrictie. In het licht van o.a. het Genentech arrest is het wel de vraag of het Schuitema arrest nog helemaal actueel is.

Bagatel

Indien de mededinging al merkbaar zou worden beperkt en de branchebeschermingsovereenkomst niet als nevenrestrictie zou kwalificeren, is er ook nog de bagatelregeling van artikel 7 Mw. Deze regeling heeft betrekking op mededingingsafspraken die weliswaar onder het kartelverbod vallen, maar die niettemin uit een oogpunt van mededinging van duidelijk ondergeschikte betekenis zijn. Ook doelbeperkingen kunnen hiervan profiteren! Het besproken vonnis duidt er niet op dat de bagatelregeling in de beoordeling is meegenomen.

Gelegenheidsargument

Ik ben niet bij de besproken zaak betrokken en weet dus niet welke argumenten wel of niet zijn aangevoerd. Dit laat onverlet dat op het moment dat (de beweerdelijke) strijd met het kartelverbod in het geding is, het raadzaam is deze stelling serieus te nemen. Daarbij mag het bewijsrecht niet uit het oog worden verloren. In de praktijk komt het namelijk voor dat die ten onrechte omgekeerd wordt. Zie hierover de blogs: Selectieve distributie en het online marktplaatsenverbod en Licenties en mededinging: de zaak Woezel & Pip.

* foto van StockSnap via Pixabay.com



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

zeventien + 3 =