Overheid mag melkveehouders beschermen tegen prijsdiscriminatie

In een arrest van 13 november 2019 heeft het Hof van Justitie (Hof) geoordeeld dat de Litouwse overheid maatregelen mocht nemen die van invloed zijn op het “proces van vrije prijsonderhandeling” in zuivelsector.  De Litouwse overheid had de maatregelen immers genomen om de belangen van haar melkveehouders beter te borgen.

De casus

In Litouwen verwerkten in 2015 zes ondernemingen 97 % van de rauwe melk, die afkomstig was van meer dan 20.000 zeer kleinschalige producenten. In 2015 bezat 74 % van de melkveehouders één tot vijf koeien. Slechts 15 % van de melkveehouders verkocht de productie via een coöperatie (niet zijnde een erkende producentenorganisatie!) en zij leverden slechts 18 % van de totale hoeveelheid rauwe melk die in Litouwen in het betreffende jaar werd gekocht. Als gevolg hiervan was onderhandelingspositie van de melkveehouders uitermate zwak. De gemiddelde aankoopprijs voor rauwe melk in Litouwen was in 2015 een van de laagste in de hele Europese Unie (r.o. 23 en 38).

Teneinde de “rechtmatige belangen” van de melkveehouders te beschermen (r.o. 19, 47 en 74) verplicht de Litouwse Wet op oneerlijke handelspraktijken (OHP) marktpartijen een schriftelijk contract te sluiten wanneer ze rauwe melk kopen (r.o. 22). Daarnaast wordt ook de prijsbepaling gereguleerd. Op grond van de artikelen 3 en 5 (r.o. 15-16):

1. worden melkveehouders ingedeeld in tien groepen naargelang van de hoeveelheid – uitgedrukt in kilogram (kg) – rauwe melk;
2. bepaalt het Ministerie van landbouw de basisindicatoren voor de samenstelling van rauwe melk; en
3. moet een koper van rauwe melk zich onthouden van de navolgende oneerlijke OHP:
(i) ten aanzien van melkveehouders die tot dezelfde groep behoren verschillende (basis) aankoopprijzen vaststellen voor rauwe melk die aan de basisindicatoren voldoet;
(ii) de aankoopprijs van rauwe melk op ongerechtvaardigde wijze verlagen, met dien verstande dat het marktreguleringsagentschap op verzoek van de koper kan bepalen dat een verlaging van < 3 % op grond van “objectieve omstandigheden” gerechtvaardigd is.

Uit het arrest volgt dat de Wet op OHP slechts de “basisprijs” regelt voor alle producenten dezelfde groep behoren. De “eindprijs” wordt echter “berekend met inachtneming van de toeslagen, premies, kortingen of leveringsvoorwaarden waarover in dat stadium vrij en individueel wordt onderhandeld” (r.o. 41). De “kortingen” lijken slechts aan de orde te zijn als de melk niet aan de basisindicatoren voldoet, terwijl er bij “toeslagen en premies” kennelijk sprake moet zijn van “melk die van betere kwaliteit is” (r.o. 66-67).

Een aantal Litouwse parlementsleden verzocht het Litouwse Grondwettelijk Hof de Wet op OHP te toetsen aan de Litouwse Grondwet. Het Litouwse Ministerie van Justitie en de Litouwse Mededingingsautoriteit voegden zich in de procedure en stelden dat de artikelen 3 en 5 van Wet op OHP in strijd zijn met het in artikel 148 lid 4 Verordening 1308/2013 (GMO Vo) neergelegde beginsel van vrije onderhandeling, onder meer wat de prijsbepaling van rauwe melk betreft (r.o. 20). Naar aanleiding hiervan stelde het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen aan het Hof (r.o. 26).

Oordeel van het Hof

Basisprijs

Na onderzoek van de betrokken regelgeving stelt het Hof vast dat de Unie wetgever de contractuele betrekkingen tussen partijen bij een leveringscontract voor rauwe melk niet uitputtend heeft geregeld. De lidstaten hebben bijgevolg ruimte om nadere regels vast te stellen (r.o. 45 en 53). Hierbij is wel van belang dat deze regels (i) geschikt moeten zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en (ii) niet verder mogen gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (r.o. 55).

Na onderzoek stelt het Hof vast dat de Wet OHP geschikt lijkt te zijn om te vermijden dat de melkveehouder (de zwakkere partij) ongerechtvaardigde prijsverlagingen moet aanvaarden (r.o. 62). Ten aanzien van de noodzakelijkheid stelt het Hof vast dat ook de GMO Vo OHP beoogt te bestrijden (r.o. 49) en dat bij de evenredigheidstoetsing met dit doel rekening moet worden gehouden (r.o. 57). In de visie van het Hof lijkt de Litouwse Wet OHP niet verder te gaat “dan noodzakelijk is om de daarmee nagestreefde doelstellingen te bereiken”. Het is echter aan de nationale rechter om te controleren of dit klopt (r.o. 69).

Verlaging prijs na contractsluiting

De regeling aangaande de verlaging van de prijs ná contractsluiting moet eveneens evenredig zijn (r.o. 73). In dit kader acht het Hof met name relevant dat de Litouwse regeling ziet op een eenzijdige wijziging van die prijs door een van de partijen nádat het contract is gesloten (r.o. 76). Verder acht het Hof relevant dat door de regeling wordt voorkomen dat melkveehouders door kopers onder druk worden gezet “om de prijs te herzien en te verlagen” en dat zij bijgevolg willekeurige prijswijzingen moeten accepteren (r.o. 77). Hierbij wijst het Hof er met name op dat “rauwe melk een bederfelijke waar is” waardoor melkveehouders zich moeilijk tegen OHP kunnen verzetten “uit angst om de handelsrelatie in gevaar te brengen” r.o. 79).

Commentaar

Het uitgangspunt van de GMO Vo is dat melkveehouders en hun afnemers vrij onderhandelen over de prijs van rauwe melk. Dit laat echter onverlet dat Litouwen haar melkveehouders tegen prijsdiscriminatie mag beschermen. De reden daarvoor is opmerkelijk: op de Litouwse markt voor rauwe melk is volgens het Hof geen sprake “van voorwaarden van daadwerkelijke mededinging vanwege oneerlijke handelspraktijken van de kopers” (r.o. 38).

Litouwse markt Praktijken Resultaat
> 20.000 kleine melkveehouders met 1-5 koeien De melk verwerkende bedrijven stellen de aankoopprijs van de rauwe melk eenzijdig vast zonder dat de melkveehouders er over kunnen onderhandelen De aankoopprijs die de Litouwse melkveehouders krijgen behoort tot de laatste in de EU, waardoor de melkproductiesector op de rand van het faillissement heeft gestaan
Slechts 18% van de melkveehouders  werkt samen in coöperatief verband
6 melkverwerkende bedrijven

Is de eenzijdige vaststelling van de inkoopprijs reeds voldoende om het beginsel van contractsvrijheid opzij te zetten? In Nederland zijn bijvoorbeeld de “slikken-of-stikken contracten” van zorgverzekeraars regelmatig onderwerp van discussie. Dergelijke niet-onderhandelbare contracten blijken toelaatbaar, tenzij er “bijkomende omstandigheden” zijn. Meer hierover in de blog: Zorgverzekeraars hoeven niet met individuele zorgverleners te onderhandelen. Als we met dit in het achterhoofd naar de onderhavige casus kijken, dan valt op dat de Litouwse melkveehouderij kennelijk aan de rand van de afgrond heeft gestaan vanwege de te lage melkprijzen die door de melkverwerkende bedrijven werden gedicteerd. Mocht dit aspect relevant zijn, dan is het niet zo zeer de eenzijdigheid van de contractvorming, maar de te lage prijsstelling geweest die het ingrijpen van de Litouwse overheid heeft gerechtvaardigd.



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

12 − elf =