Pre Loader

Mededinging en de centralisering van het prijzenmanagement in de wielersport

Sport en mededinging

De rechtbank Zeeland – West-Brabant (Rechtbank) is in een vonnis van 15 december 2021 tot de conclusie gekomen dat het door Union Cyliste Internationale (UCI) en Cyclistes Professionnels Associés (CPA) ingevoerde gecentraliseerd prijzenmanagement systeem geen inbreuk maakt op de mededingingsregels.

De casus

Naar aanleiding van klachten over de wijze waarop prijzen in de wielersport werden uitgekeerd, liet de UCI onderzoek doen naar het prijzenmanagement. De conclusie was dat de bestaande praktijk op verschillende punten niet voldeed. Daarom werd met ingang van het wielerseizoen 2019 het door CPA uitgewerkte gecentraliseerd prijzenmanagementsysteem verplicht gesteld. Onderdeel van dit systeem is het door CPA beheerde ‘Centralized Price Management Platform’. Via dit platform moet de organisator van een wielerwedstrijd het prijzengeld na aftrek van belastingen voldoen aan CPA. De organisator mag daarbij gebruik maken van externe paying agent. De aan deze derde te betalen service fee mag echter niet van het prijzengeld worden afgetrokken.

Het ontvangen prijzengeld wordt vervolgens door CPA uitbetaald, na aftrek van een aantal verplichte bijdragen, waaronder een bijdrage aan CPA van 2%. Bij de uitbetaling door CPA hebben de teams de mogelijkheid het bedrag:

1.door CPA te laten verdelen over de wielrenners en overige teamleden
2.rechtstreeks uit te keren op de bankrekening van het team, waarna het team verantwoordelijk is voor de distributie van het prijzengeld
3.over te maken aan een collecting agent die het bedrag verdeelt over de wielrenners en de overige teamleden

CPA rekent voor de uitbetaling vaste bedragen per jaar, waarvan de hoogte afhangt van de door het team gekozen optie en of het uitbetaling aan een WorldTour respectievelijk een ProContinental ploeg betreft.

Cycling Service, een Nederlandse onderneming die actief is in de professionele wielersport, houdt zich onder andere bezig met prijzenmanagement. In dat kader treedt Cycling Service op als paying en collecting agent. Volgens Cycling Service handelen UCI en/of CPA in strijd met zowel het Europese kartelverbod (artikel 101 lid 1 VWEU) als misbruikverbod (artikel 102 VWEU) door organisatoren te verplichten gebruik te maken van het gecentraliseerd prijzenmanagement systeem. Sedert de invoering is het voor haar immers niet langer rendabel op te treden als paying en/of collecting agent. Daarom vroeg Cycling Service de Rechtbank kort samengevat UCI en CPA te verbieden dit systeem nog langer voor schrijven.

Oordeel van de rechtbank

Economische activiteit

De dienstverlening van CPA op het gebied van prijzenmanagement vormt volgens de Rechtbank een economische activiteit. UCI vertegenwoordigt 190 nationale wielerbonden die de professionele wielersport als economische activiteit uitoefenen. Dit betekent dat UCI is aan te merken als een ondernemingsvereniging. Gelet daarop kwalificeert de door UCI opgelegde verplichting om gebruik te maken van het gecentraliseerd prijzenmanagement systeem als een besluit in de zin van de Europese mededingingsregels.

Toepasselijkheid mededingingsregels

Hoewel het gecentraliseerd prijzenmanagementsysteem elementen bevat die zien op de regulering van de sport, bevat het systeem overwegend elementen die een economische activiteit reguleren. De Europese mededingingsregels zijn daarom onverkort van toepassing. Bij de beoordeling of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging merkbaar beperkt als bedoeld in het Europese kartelverbod, moet nagegaan worden of deze beperking beoogt is dan wel slechts het gevolg is van het besluit.  In de visie van de Rechtbank is daar in het onderhavige geval geen sprake van.

Doelbeperking

Het overkoepelende doel van het gecentraliseerd prijzenmanagement systeem “betreft het verbeteren van de positie van wielrenners. Deze doelstellingen, beschouwd binnen de specifieke context van de professionele wielersport, zijn naar het oordeel van de rechtbank legitiem” (r.o. 4.17). Sinds de invoering van het gecentraliseerd prijzenmanagement systeem kunnen de kosten voor de dienstverlening van een derde zoals Cycling Service niet langer ingehouden worden op het verplicht aan CPA te betalen prijzengeld en moet verplicht gebruik worden gemaakt van het door CPA beheerde platform. Dit zijn volgens de Rechtbank beperkingen die inherent en evenredig zijn aan de vorenbedoelde doelstelling. Dat het nieuwe systeem inschakeling van derden zoals Cycling Service mogelijk minder aantrekkelijk maakt, vormt onvoldoende reden om aan te nemen dat de mededinging in zodanige mate wordt beïnvloed dat gesproken moet worden van een mededingingsbeperkende strekking van het bestreden besluit (r.o. 4.18).

Gevolgbeperking

Gelet op het ANVR/IATA arrest moet Cycling Service bewijzen dat de verplichtstelling van het gecentraliseerd prijzenmanagement systeem een merkbare beperking van de mededinging als gevolg heeft. Het hiervoor vereiste bewijs heeft Cycling Service niet geleverd. De Rechtbank stelt namelijk niet in staat te zijn de relevante markt af te bakenen. Cycling Service had weliswaar door SEO een rapport laten opstellen, maar de conclusies van dat rapport werden gemotiveerd weerlegd door het in opdracht van UCI en CPA opgestelde rapport van RBB. Bij gebreke van een marktafbakening kan niet worden vastgesteld of het besluit van de UCI de mededinging merkbaar beperkt. Het beroep op het Europese kartelverbod wordt bijgevolg afgewezen.

Machtsmisbruik

Aangezien de relevante markt niet kan worden afgebakend, kan evenmin worden vastgesteld of CPA, dan wel CPA en de UCI tezamen beschiken over een economische machtspositie. Daarom komt de Rechtbank niet toe aan de vraag of CPA, dan wel CPA en de UCI tezamen van misbruik hebben gemaakt van een dergelijke positie. Het beroep op het Europese misbruikverbod strandt dus eveneens.

Commentaar

Sport en mededinging

Uit artikel 165 VWEU volgt dat de EU bijdraagt “tot de bevordering van de Europese inzet op sportgebied, rekening houdend met haar specifieke kenmerken, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie”. Dit laat onverlet dat de mededingingsregels onverkort van toepassing zijn op voorschriften die betrekking hebben op het goede verloop van de sportcompetitie. De betreffende voorschriften kunnen blijkens onder andere het Meca-Medina arrest  (r.o. 32, 42, 44-45 en 47), het International Skating Union (ISU) arrest (r.o. 100-101), en het Werkdocument EU en sport van de Europese Commissie (§ 3.4) echter wel aan de toepassing van de mededingingsregels ontsnappen mits de:

(i)nagestreefde doelstellingen van algemeen belang legitiem zijn
(ii)beperking van de mededinging inherent is aan de nagestreefde doelstellingen
(iii)beperking van de mededinging niet verder gaat dan objectief gezien onmisbaar is om de nagestreefde doelstellingen te realiseren

Bovenstaande figuur wordt ook wel aangeduid als de leer van de inherente beperking. Zie bijvoorbeeld § 3.4 van het in juli 2013 gepubliceerde concept Position Paper ‘Mededinging & Duurzaamheid’ van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Op het moment dat de te beoordelen voorschriften niet voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de leer van de inherente beperking, moeten de voorschriften aan de reguliere mededingingsregels worden getoetst.

Doelbeperking

De Rechtbank concludeert dat het gewraakte besluit van de UCI niet overwegend ziet op de “regulering van de sport”, maar op een economische activiteit. Derhalve zijn volgens de Rechtbank de artikelen 101 en 102 VWEU van toepassing (r.o. 4.13). Kennelijk wordt in de visie van Rechtbank niet aan de voorwaarden voor toepassing van de leer van de inherente beperking voldaan. Begrijpelijkerwijs gaat de Rechtbank vervolgens na of het gewraakte besluit van de UCI een doelbeperking vormt. In de visie van de Rechtbank is dat niet het geval: het “legitieme doel” van het gewraakte besluit is het verbeteren van de positie van de wielrenners, terwijl de beperkingen inherent en evenredig zijn aan dit doel (r.o. 4.17-4.18). Dit lijkt verdacht veel op de voorwaarden die in het kader van de leer van de inherente beperking worden toegepast. Of sprake is van doelbeperking wordt echter anders beoordeeld.

In zijn conclusie in de Hongaarse bankenzaak beschrijft A-G Bobek op een treffende wijze het uit te voeren onderzoek om vast te stellen of een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking heeft. Allereerst moet worden gekeken naar de bewoordingen en oogmerken van de bepalingen van de overeenkomst. De voornaamste doelstelling van deze procedurele stap is na te gaan of het betrokken besluit binnen een categorie van overeenkomsten valt waarvan het schadelijke karakter gelet op de verworven ervaring is aanvaard en gemakkelijk kan worden aangetoond. Vervolgens moet worden nagegaan of aan het vermeende mededingingsbeperkende karakter van de overeenkomst, zoals vastgesteld op basis van de louter formele beoordeling ervan, niet wordt afgedaan door overwegingen in verband met de juridische en economische context waarin de overeenkomst ten uitvoer is gelegd. Daartoe moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markten. Voorts is de bedoeling van de partijen weliswaar geen noodzakelijke factor om te bepalen of een overeenkomst tussen ondernemingen beperkend is, maar indien nodig kan er wel rekening mee worden gehouden randnrs 41-43).

Uit het besproken vonnis kan niet worden opgemaakt hoe het besluit van de UCI in de visie van de rechtbank vanuit mededingingsoogpunt moet worden gekwalificeerd. In het verlengde daarvan is niet nagegaan of er sprake is van een besluit dat een aantoonbaar mededingingsbeperkend karakter heeft. Dit klemt te meer nu uit het vonnis lijkt te kunnen worden opgemaakt dat in ieder geval een onbekend deel van de markt aan de mededinging wordt onttrokken. Hoewel volgens UCI derden nog steeds kunnen worden ingeschakeld als collecting en/of paying agent, is het verder de vraag of dit een realistische optie is. De mogelijkheid voor derden om als zodanig actief te zijn, hangt kennelijk “van de grootte van het team af of CPA met haar vaste prijs voor de dienstverlening al dan niet voordeliger is ten opzichte van de service fee die Cycling Service in rekening brengt” (r.o. 4.16). Bovendien is onduidelijk is of CPA in staat is haar positie verder te versterken, bijvoorbeeld door haar tarieven te verlagen en zo de markt volledig te monopoliseren.

Evenredigheid

De evenredigheid waar de Rechtbank aan refereert, maakt bij de toepassing van de reguliere mededingingsregels normaal onderdeel uit van de toets of voldaan wordt aan de voorwaarden voor de in artikel 101 lid 3 VWEU geregeld wettelijke vrijstelling. Hier wordt pas aan toegekomen zodra vaststaat dat de mededinging merkbaar wordt beperkt en het beroep op een groepsvrijstelling niet slaagt. Los hiervan is de vraag of er echt geen minder ingrijpende maatregelen denkbaar waren om de door UCI nagestreefde overkoepelende doelstelling te bereiken. Waarom is er bijvoorbeeld geen licentiesysteem ingevoerd? Zie in dit kader het Fifa arrest, waarin het door de Fifa ingevoerde licentiesysteem voor spelersmakelaars centraal stond (r.o. 117).

* foto van Dimon Blr via pixabay.com

Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

No comments yet.

Leave a comment

Your email address will not be published.

vijftien − twaalf =