Licenties en mededinging: de zaak Woezel & Pip

Mededinging en licenties

In een vonnis van 8 oktober 2020 is de kort geding-rechter van de rechtbank Amsterdam (Rechtbank) tot de conclusie gekomen dat een aantal door een licentiegever aan zijn licentienemer opgelegde verkoopbeperkingen nietig zijn wegens strijd met het kartelverbod.

De casus

Partijen

De zaak heeft betrekking op een geschil tussen International Bon Ton Toys B.V. (IBTT) en Dromenjager B.V. (Dromenjager). IBTT is een onderneming die zich bezighoudt met het ontwerpen en produceren van pluche knuffels voor verschillende merken. Dromenjager is merkhouder van zowel de Benelux als Europese woord- en beeldmerken Woezel & Pip. Zij verleent licenties aan verschillende partijen die Woezel & Pip producten op de markt brengen.

De licentieovereenkomst

In 2017 sloot IBTT met Dromenjager een licentieovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst mag IBTT tegen betaling van een jaarlijkse licentievergoeding (royalty) pluche artikelen in de Woezel & Pip stijl produceren en in de Benelux op de markt brengen.

Op grond van de licentieovereenkomst heeft IBTT zich verplicht de contractproducten uitsluitend te verkopen aan afnemers die in een bijlage bij deze overeenkomst worden opgesomd. In de betreffende bijlage wordt – kort gezegd – onderscheid gemaakt tussen afnemers die van tevoren door Dromenjager zijn goedgekeurd (onder meer Bijenkorf, HEMA, Albert Heijn, Blokker, Intertoys) en afnemers waarvoor Dromenjager van tevoren schriftelijke toestemming moet geven (onder meer Kruidvat, Trekpleister, Carrefour). Het is IBTT uitdrukkelijk verboden contractproducten te verkopen in het onderste segment van de markt (onder meer Action, Big Bazar, Aldi, Zeeman).

Verder is IBTT niet vrij de wederverkoopprijs van de contractproducten te bepalen. IBTT is verplicht de wederverkooprijzen in overleg met Dromenjager vast te stellen. Daarnaast heeft IBTT voorafgaande toestemming van Dromenjager nodig voor kortingsacties. De maximale korting is in de licentieovereenkomst vastgesteld op 25% van de “consumenten adviesprijs”.

Het geschil

Nadat partijen in onderling overleg besloten de licentieovereenkomst na 31 december 2020 niet voort te zetten, vroeg IBTT aan Dromenjager toestemming om haar resterende voorraad contractproducten aan Kruidvat te mogen verkopen. Toen Dromenjager dit weigerde, verzocht IBTT de Rechtbank Dromenjager te veroordelen deze verkoop toe te staan.

Oordeel van de Rechtbank

Het juridisch kader

IBTT en Dromenjager zijn volgens de Rechtbank op verschillende niveaus van de distributieketen actief en staan dus in een verticale verhouding tot elkaar. Derhalve moet de licentieovereenkomst getoetst worden aan de Groepsvrijstelling verticale overeenkomsten (GVO) en de Richtsnoeren verticale beperkingen (r.o. 4.2). In dit kader wijst de Rechtbank erop dat de GVO niet van toepassing is op overeenkomsten die een of meer in artikel 4 GVO opgesomde “hardcorebeperkingen” bevatten (r.o. 4.4-4.5).

Uit zowel het Expedia arrest, als het Geborgde dierenarts arrest leidt de Rechtbank af dat hardcorebeperkingen niet de bescherming genieten van de De minimis bekendmaking. Dit volgt eveneens uit De minimis bekendmaking zelf. Een hardcorebeperking levert dus altijd een merkbare beperking van de mededinging op (r.o. 4.6-4.8).

Aangezien hardcorebeperkingen worden geacht de mededinging merkbaar te beperken, hoeft het volgens de Rechtbank “dus niet te gaan om, zoals [Dromenjager] heeft aangevoerd, interstatelijke handel die wat de omzet betreft bepaalde drempels overschrijdt” (r.o. 4.10).

Het beroep van Dromenjager op de Groepsvrijstelling technologieoverdracht(GTO) wordt door de Rechtbank verworpen. Ook voor licentieovereenkomsten geldt artikel 4 GVO, aldus de Rechtbank (r.o. 4.11).

De gewraakte bepalingen uit de licentieovereenkomst

De Rechtbank constateert dat de door Dromenjager aan IBTT opgelegde beperkingen grote gelijkenis vertonen met de beperkingen die NBC Universal aan de licentienemers oplegde. In haar besluit van 30 januari 2020 heeft de Europese Commissie (Commissie) deze beperkingen aangemerkt als hardcorebeperkingen. Gelet hierop concludeert de Rechtbank dat de gewraakte bepalingen uit de licentieovereenkomst in strijd zijn met het Europese kartelverbod en daarom nietig zijn (r.o 4.12). Derhalve wordt Dromenjager veroordeeld IBTT toe te staan de restvoorraad contractproducten aan Kruidvat te verkopen (r.o. 4.15).

Commentaar

Het besproken vonnis laat zien dat het lang niet altijd gemakkelijk is om overeenkomsten aan het kartelverbod te toetsen. Helemaal als intellectueel eigendom in het spel is.

Het Europese kartelverbod en de handel tussen de lidstaten

De Rechtbank stelt dat partijen het er over eens zijn dat het Europese kartelverbod (artikel 101 lid 1 VWEU) van toepassing is. De vraag is of dit juist is. Dromenjager heeft dit immers betwist, door te stellen dat gewraakte beperkingen in de licentieovereenkomst de handel tussen de lidstaten niet merkbaar beïnvloeden. Zou de Rechtbank Dromenjager op dit punt in het gelijk hebben gesteld, zou daarmee hebben vastgestaan dat het Europese kartelverbod niet van toepassing is.

De Rechtbank meent echter dat niet hoeft te worden onderzocht of de handel tussen de lidstaten merkbaar wordt beïnvloed. De betreffende beperkingen kwalificeren immers als hardcorebeperkingen. Uit het Expedia arrest zou dan volgen dat de merkbaarheid gegeven is. De merkbaarheid uit het Expedia arrest ziet echter op de mededinging en niet op de handel tussen de lidstaten. De Rechtbank heeft dit onderscheid ook opgemerkt (r.o 4.6-4.8), maar waarschijnlijk niet goed op het netvlies gehad waar het verschil precies zit. Daardoor heeft de Rechtbank twee verschillende vormen van merkbaarheid met elkaar verward. Bij een correcte toepassing, had de Rechtbank op basis van het hardcore karakter van de gewraakte beperkingen niet kunnen aannemen dat ook de handel tussen de lidstaten merkbaar wordt beïnvloed. Zie in deze zin randnr. 4 van de De minimis bekendmaking. Ingevolge het ANVR/IATA arrest, had het dus op de weg van IBTT gelegen de merkbare beperking van de handel tussen de lidstaten te bewijzen.

Groepsvrijstellingen

Op het moment dat een afspraak zowel de handel tussen de lidstaten als de mededinging merkbaar beperkt, moet gekeken worden of voldaan wordt aan de wettelijke uitzondering (artikel 101 lid 3 VWEU). Diverse soorten overeenkomsten worden door zogenaamde groepsvrijstellingen van het kartelverbod vrijgesteld. Groepsvrijstellingen zijn niets anders dan een groepsgewijze toepassing van de wettelijke uitzondering. Ze zijn uitdrukkelijk bedoeld als ‘veilige havens’. Daarom worden ze in de praktijk vaak als lakmoesproef gebruikt. De Rechtbank doet dat ook. Heel pragmatisch stelt de Rechtbank vast dat de gewraakte beperkingen kwalificeren als hardcorebeperkingen in de zin van artikel 4 GVO. Daarom is de GVO niet van toepassing. Het beroep van Dromenjager op de GTO slaagt evenmin. In de visie van het Rechtbank geldt de GVO namelijk ook voor licentieovereenkomsten.

De redenering van de Rechtbank is aan de korte kant, maar met enige uitleg wel te volgen. De GVO is van toepassing op “verticale overeenkomsten”. Dit zijn blijkens artikel 1 sub (a) GVO overeenkomsten die “betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen”. IBTT en Dagdromer hebben echter een merklicentieovereenkomst gesloten. Dagdromer verkoopt geen producten aan IBTT, maar maakt die zelf. Zo bezien is het niet raar dat Dagdromer een beroep doet op de GTO. Echter, de GTO is blijkens de Richtsnoeren technologieoverdracht slechts op merklicentieovereenkomsten van toepassing indien tevens sprake is van “technologieoverdracht” (randnrs. 47 en 50 en voetnoot 119 van het Commissiebesluit in de zaak NBC Universal). Daar lijkt in het onderhavige geval geen sprake van te zijn. In het licht van het voorgaande is het jammer dat de Rechtbank niet uitlegt waarom de GVO toch van toepassing is. Mogelijk is de Rechtbank van mening dat de licentie rechtstreeks verband houdt met het gebruik, de verkoop of de wederverkoop van de contractgoederen en niet het primaire voorwerp van de overeenkomst vormt. Maar ook als de GVO en de GTO niet van toepassing zijn, laat dit laat onverlet dat beide groepsvrijstellingen als richtsnoer kunnen dienen voor de beoordeling van contractuele beperkingen.  

* de foto is van mijn hand



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

een × 1 =