Hof oordeelt over toezeggingen in kartelzaken en het belang van derden

toezeggingen in kartelzaken en het belang van derden

De Europese Commissie (Commissie) moet bij het verbindend verklaren van toezeggingen rekening houden met het evenredigheidbeginsel. Dit beginsel brengt volgens een arrest van 9 december 2020 van het EU Hof van Justitie (Hof) mee dat door de verbindendverklaring de rechten van derden niet uitgehold mogen worden. 

De casus

In januari 2014 startte de Commissie een onderzoek naar de licentieovereenkomsten die zes Amerikaanse filmstudio’s met de belangrijkste betaaltelevisiezenders van de EU hadden gesloten over de levering van betaaltelevisiediensten. In het kader van dit onderzoek deelde zij Paramount Pictures (Paramount) in juli 2015 mee bezwaar te hebben tegen de navolgende twee clausules die voorkwamen in de door Paramount met de Britse omroep Sky UK (Sky) gesloten licentieovereenkomsten (r.o. 3):

(i)de “Omroepverplichting” die Sky belette EER-consumenten van buiten het Verenigd Koninkrijk en Ierland die daar spontaan om vroegen via satelliet of online toegang te verlenen tot films
(ii)de “Flimstudioverplichting” op basis waarvan Paramount er voor moest zorgen dat andere omroepen dan Sky in het Verenigd Koninkrijk en Ierland betaaltelevisiediensten zouden aanbieden aan consumenten die hen daar spontaan om vroegen

Naar het voorlopig oordeel van de Commissie leiden dergelijke clausules tot “absolute territoriale exclusiviteit” (geo-blocking), hetgeen een mededingingsbeperking “naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU vormt. In april 2016 stelde Paramount de Commissie voor om de hiervoor bedoelde clausules, niet langer na te komen, noch stappen te ondernemen om ze te doen eerbiedigen. Deze toezegging werd door de Commissie aanvaard en bij een besluit van 26 juli 2016 (Toezeggingsbesluit) verbindend verklaard. De Franse omroep Groupe Canal + (Canal +) stelde bij het Gerecht van de EU (Gerecht) beroep in tegen het Toezeggingsbesluit. Dit beroep werd in een arrest van 12 december 2018 verworpen. Vervolgens legde Canal + de zaak voor aan het Hof.

Oordeel van het Hof

Onbevoegdheid Commissie

Volgens Canal + was de Commissie onbevoegd om onderzoek te doen naar de licentieovereenkomsten van Paramount en het Toezeggingsbesluit vast te stellen. Het Europees parlement stond immers op het punt een wetgevende tekst aan te nemen waarin de  audiovisuele sector de mogelijkheid geboden zou worden om geo-blocking-clausules te behouden (r.o. 25). Het Hof verwerpt dit argument. Zolang het bedoelde wetgevingsprocedure niet heeft geleid tot vaststelling van een wetgevende tekst, blijft de Commissie bevoegd haar krachtens artikel 101 VWEU en Vo 1/2003 verleende bevoegdheden uit te oefenen (r.o. 32-35).

Omvang onderzoeksplicht

De Commissie had in de visie van Canal + ten onrechte nagelaten te onderzoeken of zowel de Omroepverplichting als de Studioverplichting op grond van artikel 101 lid 3 VWEU van het kartelverbod zijn vrijgesteld (r.o. 39). Het Hof is het daar niet mee eens. Artikel 101 lid 3 VWEU kan pas worden toegepast, nadat eerst een inbreuk op het eerste lid van dit artikel is vastgesteld. In het kader van een toezeggingsbesluit hoeft de Commissie niet te bewijzen  dat het kartelverbod wordt overtreden. Bijgevolg hoeft de Commissie in die situatie niet na te gaan of de overeenkomst die onderwerp is van het toezeggingsbesluit aan de voorwaarden van artikel 101 lid 3 VWEU voldoet (r.o. 56-57).

Onderzoek relevante markten

Hoewel het onderzoek van de Commissie beperkt was tot de door Paramount met Sky gesloten licentieovereenkomsten, had de door Paramount gedane toezegging betrekking op soortgelijke licentieovereenkomsten die zij met andere in de EER gevestigde omroeporganisaties had gesloten of kon sluiten. Canal + meende dat de Commissie daarom de betrokken nationale markten een voor een had behoren te onderzoeken (r.o, 79). Dit argument wordt door het Hof eveneens verworpen. De gewraakte clausules strekten ertoe de nationale markten af te schermen en konden daarom de goede werking van de interne markt ondermijnen. Gelet hierop mocht de Commissie rechtsgeldig voor de gehele EER mededingingsbezwaren tegen de betrokken clausules opwerpen (r.o. 86).

Evenredigheid

Canal + had zich op het standpunt gesteld dat haar contractuele rechten door de verbindend verklaarde toezeggingen van Paramount waren geminimaliseerd. Daardoor zou het evendigheidsbeginsel zijn geschonden. Dit betoog slaagt. Bij het nemen van een toezeggingsbesluit dient de Commissie blijkens het Alrosa arrest rekening te houden met de belangen van derden. In dit kader brengt evenredigheidsbeginsel mee dat de rechten van derden niet volledig mogen worden uitgehold (r.o. 105-106). In de visie van het Gerecht was hier geen sprake van. Het door Paramount als gevolg van haar verbindend verklaarde toezeggingen niet nakomen van haar contractuele verplichtingen zou Canal + immers aan de nationale rechter kunnen voorleggen.

Nu blijkt uit het Gasorba arrest dat nationale autoriteiten ondanks een toezeggingsbesluit van de Commissie mogen vaststellen dat de overeenkomst die onderwerp is van dit besluit toch in strijd is met het kartelverbod (r.o. 108). Dit laat echter onverlet dat artikel 16 Vo 1/2003 nationale autoriteiten verbiedt bij de toepassing van het Europese kartelverbod beslissingen te nemen die in strijd zijn met een door de Commissie gegeven besluit (r.o. 109). Bijgevolg zou de Franse rechter Paramount niet kunnen opdragen de met Canal + overeengekomen Omroepverplichting en Studioverplichting alsnog na te komen (r.o. 111). De door het Gerecht voorgestelde nationale rechtsgang biedt Canal + bijgevolg geen adequate en doeltreffende bescherming (r.o. 115 en 117).

Oordeel

Het Toezeggingsbesluit vormt volgens het Hof een onevenredige inmenging in de contractsvrijheid van Canal +. Daarom wordt het Toezeggingsbesluit nietig verklaard.

Commentaar

Net als in de film, is het arrest van het Hof spannend tot het eind. Pas het allerlaatste argument van Canal + slaagt. Bovendien is er voor Canal + een ‘happy end’. Het Toezeggingsbesluit wordt immers nietig verklaard. En het verhaal heeft ook nog een moraal.

Toezeggingsbesluit

Kartelonderzoeken zijn vaak tijdrovend en kunnen dus veel geld kosten. Zeker als ook de rechter nog wordt ingeschakeld. Een alternatief is dat de onderneming die naar het voorlopig oordeel van een mededingingsautoriteit  in strijd handelt met het kartelverbod, toezegt haar handelwijze aan te passen. Als hiermee de voorlopig geconstateerde bezwaren worden weggenomen, kan de mededingingsautoriteit de toezegging verbindend verklaren. Hiermee voorkomt de onderneming dat haar een boete wordt opgelegd. De mededingingsautoriteit heeft op haar beurt  de – mogelijk – verstoorde mededingingssituatie snel hersteld. En beide partijen besparen zich de kosten van een in potentie lange en kostbare procedure. Iedereen tevreden? Niet altijd, hetgeen het besproken arrest laat zien.

Toezeggingsbesluit en de wettelijke vrijstelling

Het Hof maakt duidelijk dat de in artikel 101 lid 3 VWEU geregelde wettelijke vrijstelling pas aan de orde is als de schending van het kartelverbod is vastgesteld. Dit laatste hoeft de Commissie niet te doen in het kader van een toezeggingsbesluit. Als gevolg hiervan bestaat er voor de Commissie geen noodzaak te onderzoeken of de overeenkomst die naar haar voorlopig oordeel in strijd is met het kartelverbod, op grond van artikel 101 lid 3 VWEU van het kartelverbod is vrijgesteld. Dit kan zuur zijn voor een derde partij die ervan overtuigd is dat met de gewraakte overeenkomst niets mis is.

Toezeggingsbesluit en de nationale autoriteiten

Aangezien de Commissie in een toezeggingsbesluit slechts een voorlopig standpunt inneemt ten aanzien van de mogelijke mededingingsrechtelijke bezwaren van een overeenkomst, zijn de nationale autoriteiten niet aan dit standpunt gebonden. Dus ook als de mededingingsrechtelijke bezwaren volgens de Commissie door toezeggingen van de betrokken onderneming zijn verholpen, mogen nationale autoriteiten een tegenovergesteld besluit vaststellen. Maar er zijn grenzen. Vo 1/2003 verbiedt Nationale autoriteiten een onderneming te veroordelen een toezeggingsbesluit van de Commissie niet na te komen. En dat is precies wat de Franse rechter eigenlijk zou moeten doen indien de zowel de Omroepverplichting als de Studioverplichting naar zijn oordeel mededingingsrechtelijk toelaatbaar zouden zijn. Het Toezeggingsbesluit maakte voor Canal + de gang naar de nationale rechter dus feitelijk zinloos.

* foto van MasterTux via Pixabay



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

zeventien + twintig =