Het interstatelijk effect van staatssteun en sport

In een persbericht van 29 april 2015 heeft de Europese Commissie (Commissie) oriëntatiehulp aangekondigd bij de beoordeling van het interstatelijk effect van staatssteun. De hulp wordt geboden door middel van zeven besluiten. De eerste drie besluiten hebben betrekking op steun in de zorgsector en het vierde besluit op steun aan een overheidsonderneming. Beide in dit artikel te bespreken besluiten hebben betrekking op steun in de sportsector. Het laatste besluit, dat ziet op steun aan een haven, is tot op heden nog niet gepubliceerd.

De casus

In staatssteunzaak SA.37963 had Glenmore Lodge steun ontvangen in de vorm van rechtstreekse subsidies toegekend door de Schotse overheid. Verder was er door moedermaatschappij Sportscotland zowel activa geschonken als gebouwen onder de marktprijs verhuurd. Sportscotland, het Schotse nationale agentschap voor sport, exploiteert Glenmore Lodge als het “National Outdoor Training Centre“. De primaire rol van Glenmore Lodge is het opzetten en ontwikkelen van National Governing Body (NGB) kwalificaties. In verband hiermee verzorgt Glenmore Lodge opleidingen die leiden tot NGB kwalificaties voor coaches, trainers, leiders en beoefenaars van buitensporten. Daarnaast biedt Glenmore Lodge vaardigheidscursussen aan voor het grote publiek. Deelnemers kunnen ervaring opdoen met nieuwe buitensporten of hun vaardigheden en kennis verbeteren. Deze activiteit is ondergeschikt aan de NGB trainingen en bedoeld om extra inkomsten te genereren.

Staatssteunzaak SA.38208 betreft een Britse belastingvrijstelling ten behoeve van gemeenschapsclubs voor amateursport (CASC’s). Van deze maatregel profiteren onder andere golfclubs die eigendom zijn van de leden. De belastingvrijstelling komt er kort gezegd op neer dat CASC’s geen winstbelasting hoeven te betalen, mits de omzet behaald met (i) de handel met niet-leden (bezoekers of tijdelijke leden) minder bedraagt dan £ 30.000,– en (ii) de verhuur van vastgoed aan niet-leden minder bedraagt dan £ 20.000,–.

Beoordeling door de Commissie

Staatssteuntoets

De Commissie gaat uitsluitend na of de steun aan Glenmore Lodge en de golfclubs gevolgen heeft voor de handel tussen de lidstaten. Aangezien de Commissie tot een ontkennende conclusie komt, wordt niet meer ingegaan op de andere cumulatieve vereisten voor staatssteun. Net als in vier eerder gepubliceerde besluiten controleert de Commissie of:

(i) de begunstigde onderneming goederen of diensten levert in een beperkt gebied binnen een lidstaat en het onwaarschijnlijk is dat klanten uit   andere lidstaten worden aangetrokken, en
(ii) het met een “voldoende mate van waarschijnlijkheid” niet te verwachten is dat de maatregel een “meer dan marginaal effect” zal hebben   op de voorwaarden voor grensoverschrijdende investeringen of vestiging

De activiteiten van zowel Glemore Lodge als de golfclubs zijn volgens de Commissie hooguit regionaal of nationaal van aard. Ten aanzien van de trainingen ter verkrijging van een NGB kwalificatie verwijst de Commissie in dit kader naar het nationale karakter van de kwalificaties. Met betrekking tot de vaardighedencursussen constateert de Commissie dat deze voornamelijk gericht zijn op een lokaal publiek. Bovendien is zowel de omzet die met de deze cursussen wordt behaald, als het aantal deelnemers beperkt. De Commissie besteedt nog speciaal aandacht aan de cursussen die Glenmore Lodge aanbiedt in diverse Europese lidstaten. De hiermee in de jaren 2011-2013 behaalde omzet was beperkt (tussen de 4% en 7% van de totale omzet). Bovendien waren er geen buitenlandse deelnemers.

Het lokale karakter van de golfclubs leidt de Commissie af uit de CASC-regels. Deze regels brengen mee dat de golfclubs geen winstoogmerk mogen hebben en slechts op beperkte schaal commercieel actief mogen zijn. Als de commerciële activiteiten zodanig zijn dat de golfclubs buitenlandse bezoekers trekken, is de belastingvrijstelling niet van toepassing. Verder moet het lidmaatschap van CASC’s bereikbaar zijn voor het grote publiek. Gelet hierop is het volgens de Commissie zeer onwaarschijnlijk dat golfclubs die als CASC zijn aan te merken in staat zijn in een beduidende mate bezoekers uit andere lidstaten aan te trekken.

Op basis van het kleine geografische gebied waar Glenmore Lodge en de golfclubs hun diensten aanbieden, alsmede de beperkte omvang ervan, concludeert de Commissie dat beide maatregelen naar verwachting hooguit slechts een marginaal effect hebben op de voorwaarden voor grensoverschrijdende investeringen of vestiging.

De Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV)

Hoewel de Commissie in beide zaken tot de conclusie komt dat de maatregelen geen interstatelijk effect hebben, toetst de Commissie de belastingvrijstelling voor CASC’s ook nog ten overvloede aan de AGVV. De Commissie merkt de belastingvrijstelling aan als steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur in de zin van artikel 55 AGVV en stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan. Als er een interstatelijk effect zou zijn, zou de belastingvrijstelling dus nog steeds toelaatbaar zijn.

Commentaar

Elk van beide besluiten bevat een opmerkelijke aspect. Zo lijken de cursussen die Glenmore Lodge in andere Europese lidstaten aanbiedt, per definitie een interstatelijk karakter te hebben. De vraag is of het feit dat Glenmore Lodge ten aanzien van deze cursussen enkel Britse deelnemers had, dit anders maakt. In de lidstaten waar Glenmore Lodge cursussen organiseert zullen lokale aanbieders of aanbieders uit andere lidstaten ongetwijfeld dezelfde cursussen aanbieden. De Britse deelnemers hadden zich ook tot deze aanbieders kunnen wenden. Het lijkt erop dat het lage aandeel in de totale omzet van de buitenlandse activiteit gecombineerd met het ontbreken van buitenlandse deelnemers voor de Commissie voldoende is om aan te nemen dat het effect van de steun aan Glenmore Lodge slechts marginaal is. Wat verder opvalt is dat de Commissie de relatief beperkte omvang van de omzet niet in de beoordeling betrekt.

Ten aanzien van de belastingvrijstelling voor CASC’s is het opvallend dat uitsluitend gekeken wordt naar de omzet die behaald wordt met de handel met en de verhuur aan niet-leden. Volgens de Commissie zijn de vermeende begunstigden immers lokale verenigingen van golfers die het niet-commerciële doel hebben faciliteiten ter beschikking te stellen aan hun leden en bezoekers zodat deze kunnen golfen dan wel anderszins kunnen recreëren. Hier mag niet uit worden afgeleid dat de handel met en de verhuur van vastgoed aan leden geen economische activiteit is. Vermoedelijk heeft de Commissie met het besluit uitsluitend het lokale karakter van de mededinging willen onderstrepen.



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

5 × 1 =