Geen stuivertje wisselen bij clementieaanvragen

Geen herclassificatie in clementiezaken

Ondernemingen kunnen hun betrokkenheid bij een kartel aan de Europese Commissie (Commissie) opbiechten en verzoeken om clementie. Alle verzoeken met betrekking tot het zelfde kartel worden door Commissie chronologisch gerangschikt. De plaats op de ranglijst is relevant voor de hoogte van de boetekorting. Als een van de clementieverzoekers uiteindelijk geen boetekorting krijgt, wordt de rangschikking niet aangepast. Dit laatste volgt uit een arrest van 3 juni 2021 van het EU Hof van Justitie (Hof).

De casus

JCI informeerde de Commissie als eerste over het bestaan van een inkoopkartel met betrekking tot afgedankte autoaccu’s. In dit kader verzocht JCI de Commissie om boete-immuniteit. Nadat de Commissie bedrijfsbezoeken had afgelegd bij de andere kartellisten, dienden ook deze ondernemingen bij de Commissie om clementieverzoek in. Na afronding van het onderzoek legde de Commissie in een besluit van 8 februari 2017 de navolgende boetes op:

 KartellistIndiening verzoek*BoetekortingBoete
(i)JCI22 juni 2012100% (immuniteit)€                0,–
(ii)Eco-Bat27 september 201250%€ 21.944.000,–
(iii)Recylex23 oktober 201230%€ 26.739.000,–
(iv)Campine4 december 20120%€   8.158.000,–

* om boete-immuniteit en/of boetekorting

Recylex meende dat de Commissie haar ten onrechte geen hogere boetekorting had toegekend en ging daarom in beroep bij het Gerecht. In een arrest van 23 mei 2019 werd het beroep van Recylex verworpen. Hierop legde Recylex de zaak voor aan het Hof.

Oordeel van het Hof

Uitleg Clementieregeling 2006

Volgens Recylex had de Commissie de bewijswaarde van de door haar verstrekte informatie moeten vergelijken met de informatie die reeds in het dossier van de Commissie was opgenomen. Uit die vergelijking zou dan zijn gebleken dat zij nieuwe feiten had aangedragen, zodat de Commissie een hogere boetekorting had moeten toekennen.

Op basis van randnummer 23 laatste alinea van de Clementieregeling 2002 kon een onderneming die als eerste bewijsmateriaal verstrekte dat betrekking had “op feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een rechtstreeks gevolg [hadden] voor de zwaarte of de duur van de vermoedelijke inbreuk” aanspraak maken op een boetekorting tot 50%. In randnummer 26 laatste alinea van de door de Commissie toegepaste Clementieregeling 2006 wordt echter gesproken over het als eerste aandragen van “beslissend bewijsmateriaal” dat de Commissie gebruikt “om additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte of de duur van de inbreuk toeneemt”.

Ingevolge het Repsol Lubricantes arrest kon op de in randnummer 23 laatste alinea van de Clementieregeling 2002 bedoelde boetekorting slechts een beroep worden gedaan door een onderneming die als eerste de Commissie (i) nieuwe inlichtingen verstrekt inzake (ii) de zwaarte of de duur van de inbreuk (r.o. 30-31). Deze regeling gold ook wanneer een onderneming die Commissie informatie had verschaft waaruit bijvoorbeeld bleek dat een inbreuk langer had geduurd dan kon worden opgemaakt uit de informatie die een eerdere verzoeker heeft aangedragen (r.o. 33).

Ondanks de tekstuele verschillen, is er in de visie van het Hof geen reden om randnummer 26 laatste alinea van de Clementieregeling 2006 anders uit te leggen dan randnummer 23 laatste alinea van de Clementieregeling 2002 (r.o. 34). Dit betekent dat met “additionele feiten” dus nieuwe feiten zijn bedoeld die de Commissie niet eerder bekend waren en die betrekking hebben op de zwaarte of de duur van de inbreuk. Het gaat dus niet om bewijs dat het bestaan van de inbreuk ondersteunt (r.o. 37-38). Daarom hoeft de bewijswaarde van informatie die betrekking heeft op feiten waarmee de Commissie al bekend is, niet te worden onderzocht (r.o. 40). Aangezien Recylex volgens het Hof geen “nieuwe feiten” had aangedragen, verwerpt het Hof deze grief.

Herclassificatie van de verzoekers

Eco-Bat had eerder dan Recylex een verzoek om boetevermindering bij de Commissie ingediend. Desondanks meende Recylex dat zij de plaats van Eco-Bat had moeten innemen. Eco-Bat zou, anders dan Recylex, niet alle relevante informatie hebben verstrekt. Wegens deze onvolledigheid, zou het verzoek van Eco-Bat niet voldoen aan de in  randnummer 12 van de Clementieregeling 2006 verlangde medewerkingsplicht (r.o 52-53). Derhalve had de Commissie het clementieverzoek Eco-Bat moeten weigeren en aansluitend Recylex een hogere boetekorting moeten toekennen.

Op grond van de medewerkingsplicht is een onderneming die om boetevermindering verzoekt gedurende de gehele administratieve procedure verplicht om “oprecht […], volledig, onafgebroken en snel” medewerking te verlenen. In geval van onvolledige medewerking, kan de gevraagde boetvermindering worden geweigerd. Dit brengt volgens het Hof echter niet mee dat er een herschikking van de clementieverzoekers moet plaatsvinden (r.o. 56). De Clementieregeling 2006 voorziet hier immers niet in. Bovendien zou de door Recylex voorgestane herclassificatie afbreuk doen aan de doelstelling van de clementieregeling, te weten het zo snel mogelijk ontmantelen van kartels. Daarom worden ondernemingen aangezet “zo snel en efficiënt mogelijk met de Commissie samen te werken”. Bijgevolg kan een onderneming die niet het snelst heeft meegewerkt, niet opnieuw worden ingedeeld in geval een andere onderneming, die weliswaar eerder heeft meegewerkt, de medewerkingsplicht onvolledig is nagekomen (r.o. 58-59). Deze grief wordt mitsdien eveneens verworpen.

Commentaar

Boetevermindering wordt toegekend op basis van een chronologische rangschikking van de verzoekers. De plaats in de rangorde is vervolgens relevant voor de hoogte van de boetekorting. Het onderhavige arrest maakt duidelijk dat de eenmaal vastgestelde rangorde ongewijzigd blijft, ook als een van de clementieverzoekers geen boetevermindering krijgt, bijvoorbeeld wegens het schenden van de medewerkingsplicht.

Een onderneming die niet als eerste om boetevermindering verzoekt, kan de hoogte van de boete ook proberen te beïnvloeden door als eerste “beslissend bewijsmateriaal” aan te dragen dat door de Commissie kan worden gebruikt “om additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte of de duur van de inbreuk toeneemt”. Het besproken arrest maakt duidelijk dat met “additionele feiten” simpelweg “nieuwe feiten” bedoeld zijn die betrekking op de ernst of de duur van het kartel. Bewijs dat reeds bij de Commissie bekende feiten ondersteunt, is dus onvoldoende.

* foto van Willfried Wende via Pixabay



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

tien − zes =