De nieuwe Wet franchise: de hoofdpunten

Wet franchise

Naar verwachting zal de Wet franchise op 1 januari 2021 in werking treden. Hiermee worden onder andere in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) regels geïntroduceerd die zien op de relatie tussen franchisegevers en franchisenemers. In deze blog worden die regels op hoofdlijnen besproken.

Definitie van franchiseovereenkomst (art. 7:911 lid 1 BW)

De Wet franchise definieert de “franchiseovereenkomst” als de overeenkomst waarbij een franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren met betrekking tot de productie of verkoop van goederen, dan wel het verrichten van diensten.

De Wet franchise ziet op alle soorten franchise. Bepalend voor de vraag of sprake is van een franchiserelatie is niet de kwalificatie, benaming of titel die partijen voor hun overeenkomst hanteren, maar de feitelijke inhoud van hun onderlinge relatie. Indien die relatie alle elementen bevat die de definitie “franchiseovereenkomst” in zich bergt, is de Wet franchise op die relatie van toepassing.

Doel van de Wet franchise

Binnen de franchiserelatie bestaat er volgens de wetgever van nature een zeker overwicht bij de franchisegever ten opzichte van de franchisenemer (MvT pag. 2). De franchisenemer is formeel weliswaar een zelfstandige ondernemer, maar in de praktijk is hij relatief afhankelijk van de franchisegever. De franchisegever is immers de bepalende factor wat betreft de franchiseformule en de verdere koersbepaling. In de praktijk zou blijken dat de manier waarop de franchisegever zijn overwicht inzet, tot onredelijke en onwenselijke situaties kan leiden voor de franchisenemer. De Wet franchise is bedoeld om deze ongelijkheid in te dammen, door de positie van de franchisenemer ten opzichte van de franchisegever te versterken.

De wettelijke regeling

Uitgangspunt (artikel 7:912 BW)

In de Wet franchise staat centraal dat partijen zich jegens elkaar als “goed franchisegever” en “goed franchisenemer” moeten gedragen. Dit uitgangspunt bestrijkt niet alleen de aanloop naar de franchiserelatie, maar ook de franchiserelatie als zodanig. Partijen moeten zich ten opzichte van elkaar redelijk en zorgvuldig gedragen. Voor de franchisegever geldt bijvoorbeeld dat hij zich naast zijn eigen belang, uitdrukkelijk rekening dient te houden met de belangen van zowel de franchiseketen als geheel, als van zijn individuele franchisenemers.

Pre-contractuele uitwisseling van informatie (artt. 7:913-7:915 en 7:917 BW)

De Wet franchise bevat een opsomming van diverse onderwerpen waarover de franchisenemer in ieder geval tijdig en specifiek geïnformeerd moet worden alvorens hij een franchiseovereenkomst sluit. Over zaken die niet onder de opgesomde onderwerpen vallen moet de franchisegever de franchisenemer eveneens tijdig informeren. Dit is het geval indien de informatie over de hiervoor bedoelde zaken voor de beoogd franchisenemer redelijkerwijs van belang is met het oog op het aangaan en de uitvoering van de franchiseovereenkomst. Overigens bestaat er voor de franchisegever géén verplichting om de (potentiële) franchisenemer een omzetprognose te verstrekken (MvT pag. 8). Dit is in lijn met het Lampenierarrest (r.o. 3.3.3).

Tijdig” wil in dit kader zeggen ten minste vier weken vóór het sluiten van de overeenkomst. De beoogd franchisenemer wordt geacht deze “standstill” periode niet alleen te gebruiken om de ontvangen informatie te bestuderen, maar ook eigen onderzoek te doen. Eventueel kan hij daarbij deskundige ondersteuning betrekken.

Tot slot rust er op de franchisenemer eveneens een informatieplicht. Zo moet hij bijvoorbeeld openheid van zaken geven over zijn financiële situatie, zodat de franchisegever kan inschatten of de franchisenemer de noodzakelijke investeringen zal kunnen doen.

Overleg en instemming (artikelen 7:916, 7:917 en 7:921 BW)

De franchisegever mag in de franchiseovereenkomst bepalen dat hij die eenzijdig kan aanpassen. De wetgever acht het namelijk nuttig dat de franchisegever een zekere ruimte heeft voor eigenmachtig handelen teneinde slagkracht te hebben bij het onderhoud en de verdere ontwikkeling van zijn franchiseformule. Bepaalde beleidswijzigingen kunnen echter zulke aanzienlijke gevolgen hebben voor de exploitatie door een franchisenemer van zijn onderneming, dat het vanuit goed franchisegeverschap bezien niet meer dan redelijk is als daarover vóóraf het gesprek wordt aangegaan met de betrokken franchisenemer(s).

Indien de gevolgen van de aanpassing voor de franchisenemers een bepaald in de franchiseovereenkomst vastgelegd drempelbedrag te boven gaan, heeft de franchisegever bovendien instemming nodig van zijn franchisenemers. In voorkomend geval mag de franchisegever kiezen of hij zijn voornemen voorlegt (i) aan alle franchisenemers, dan wel (ii) alleen aan individuele franchisenemers die daadwerkelijk geconfronteerd zijn of worden met de financiële gevolgen van de aanpassing. In het eerste geval moet de meerderheid van de franchisenemers met de aanpassing instemmen, terwijl in het tweede geval elk van betrokken franchisenemers akkoord dient te gaan.

Bijstand en commerciële en technische ondersteuning (artikel 7:919 BW)

In de visie van de wetgever is het verlenen van bijstand en commerciële en technische ondersteuning door de franchisegever aan de franchisenemer een van de kernelementen van een franchiserelatie. De Wet franchise verplicht de franchisegever daarom om de bijstand en ondersteuning te verlenen die redelijkerwijs en in relatie tot aard en strekking van de franchiseformule verwacht mag worden. De mate waarin een franchisenemer bijstand en ondersteuning mag verwachten is bijgevolg afhankelijk van de wijze waarop de franchiseformule is georganiseerd. De franchisenemer is op zijn beurt verplicht aan zijn franchisegever kenbaar te maken aan welke vorm van bijstand of ondersteuning hij behoefte heeft.

Beëindiging van de franchisesamenwerking (artikel 7:920 BW)

De Wet franchise verplicht partijen om in de franchiseovereenkomst te voorzien in een vergoeding van opgebouwde goodwill, voor zover die in redelijkheid aan de franchisenemer toe te rekenen is. Deze regeling betreft alleen de situatie dat de franchisegever, voor zichzelf of met het oog op overdracht aan een nieuwe franchisenemer, de franchiseonderneming overneemt. Neemt een nieuwe franchisenemer de zaak van de vertrekkende franchisenemer over, dan maakt goodwill impliciet of expliciet deel uit van de overnameprijs die tussen deze partijen bedongen wordt.

Post-contractuele non-concurrentiebedingen, waarbij de franchisenemer wordt beperkt om na afloop van de franchiserelatie bepaalde activiteiten uit te oefenen, blijven toegestaan. Voorwaarde is wel dat de reikwijdte van dergelijke bedingen beperkt blijven tot (cumulatief):

(i) hetgeen noodzakelijk is voor bescherming van de knowhow, concurrerende goederen of diensten
(ii) een periode van één jaar na afloop van de franchiseovereenkomst, en
(iii) het geografische gebied waarbinnen de franchisenemer de formule mocht exploiteren

Dwingend recht en nietigheid (artikel 7:922 BW)

Met betrekking tot in Nederland gevestigde franchisenemers kan niet ten nadele van de Wet franchise worden afgeweken. Afspraken met betrekking tot goodwill en een post-contractuele non-concurrentiebeding die niet in overeenstemming zijn met de Wet franchise zijn nietig.

Gevolgen van de Wet franchise

Nieuwe franchiseovereenkomsten moeten vanaf de inwerkingtreding integraal aan de Wet franchise voldoen. Voor bestaande franchiseovereenkomsten geldt dat de Wet franchise eveneens direct van toepassing, maar dan uitsluitend voor zover het gaat om artikelen die hooguit aanpassing van feitelijk gedrag vergen. Ten aanzien van de regels over goodwill, het post-contractuele non-concurrentiebeding (artikel 7:920 BW), de informatieverplichting en instemming in geval tussentijdse wijzigingen (artikel 7:921 BW) krijgen partijen twee jaar de tijd om hun franchiseovereenkomst aan te passen.

* foto van Louis Hansel op www.unsplash.com, de afbeelding is van mijn hand



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

drie + tien =