De begunstigde van onrechtmatige staatssteun moet rente betalen

onrechtmatige staatssteun verplicht tot het betalen van rente

De nationale rechter is verplicht om de onderneming die onrechtmatige staatssteun heeft ontvangen te veroordelen tot betaling van onrechtmatigheidsrente. Dit geldt ook wanneer de Europese Commissie (Commissie) in haar definitieve besluit tot de conclusie komt dat de maatregel met de interne markt verenigbare DAEB steun vormt. Dit heeft het Hof van Justitie van de EU (Hof) bepaald in een arrest van 2 december 2020.

Casus

Het onderhavige arrest maakt onderdeel uit van een langlopende juridische strijd tussen TV2/Danmark (TV2) en Viasat Broadcasting UK (Viasat). TV2 is een Deense omroeporganisatie die belast is met een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) bestaande uit de productie en uitzending van nationale en regionale televisieprogramma’s. Viasat is een Britse commerciële televisiemaatschappij die op de landelijke Deense televisiemarkt actief is.

De onderhavige zaak begon in 2000 met een klacht die Viasat bij de Commissie indiende. Volgens Viasdat had TV2 onrechtmatige staatssteun ontvangen. Na diverse rechtszaken kwam in 2017 definitief vast te staan dat TV2 tussen1995 en 2011 onrechtmatige staatssteun had ontvangen. Deze steun was door Commissie overeenkomstig artikel 106 lid 2 VWEU als DAEB steun met de interne markt verenigbaar verklaard. Vervolgens startte Viasat een procedure bij de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het oosten van Denemarken). In die procedure vorderde zij dat TV2 zou worden veroordeeld tot betaling van de rente over de periode waarin de door haar ontvangen steun onrechtmatig was. De Østre Landsret stelde vervolgens prejudiciële vragen aan het Hof.

Oordeel Hof

Rente en onrechtmatige DAEB steun

Kort samengevat had de Østre Landsret het Hof gevraagd of er ook onrechtmatigheidsrente moet worden betaald indien de Commissie de onrechtmatige staatssteun als DAEB steun met de interne markt verenigbaar heeft verklaard.

Het Hof wijst er allereerst op dat Lidstaten op grond van artikel 108 lid 3 VWEU verplicht zijn een maatregel die staatssteun vormt aan de Commissie te melden. Zij mogen de maatregel niet uitvoeren zolang de Commissie geen positief besluit heeft genomen (de zogenaamde standstill-verplichting). Dit is een fundamenteel aspect van het Europese staatssteunrecht (r.o. 19). Een maatregel die in strijd met vorenbedoelde verplichting tot uitvoering is gebracht vormt onrechtmatige staatssteun. Die onrechtmatigheid wordt blijkens het CELF arrest niet weggenomen als de Commissie de maatregel achteraf met de interne markt verenigbaar verklaart (r.o. 21). Het is de taak van de nationale rechter om de gevolgen van de onrechtmatigheid daadwerkelijk op te heffen (r.o. 22) door de begunstigde van de onrechtmatige steun te gelasten rente te betalen over de periode van onrechtmatigheid (r.o. 26). Deze op de nationale rechter rustende verplichting geldt volgens het Hof niet alleen als de Commissie de onrechtmatige steun overeenkomstig artikel 107 VWEU met de interne markt verenigbaar heeft verklaard, maar ook als de Commissie op basis van artikel 106 lid 2 VWEU tot een zelfde oordeel komt (28).

Hoewel lidstaten bevoegd zijn de omvang en organisatie van een DAEB zelf vast te stellen, laat dit onverlet dat zij hierbij het Unierecht moeten respecteren (r.o. 33-34). Dit betekent dat ook een steunmaatregel die op grond van artikel 106 lid 2 VWEU met de interne markt verenigbaar kan worden verklaard, eerst bij de Commissie moet worden gemeld. Uitzonderingen op deze meldingsplicht moeten ingevolge het Eesti Pagar arrest uitdrukkelijk zijn vastgesteld (r.o. 35-36). In dit kader verwijst het Hof naar de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Maatregelen die niet aan de voorwaarden van de AGVV voldoen, moeten onverkort bij de Commissie worden gemeld (r.o. 37-39). Dit geldt eveneens voor maatregelen die betrekking hebben op de uitvoering van een DAEB. De Commissie moet immers kunnen controleren of aan de voorwaarden van artikel 106 lid 2 VWEU is voldaan (r.o. 40). Tot slot wijst het Hof erop dat een begunstigde onderneming bij gebreke van een positief besluit van de Commissie geen gewettigd vertrouwen kan hebben dat de ontvangen steun rechtmatig is verleend (r.o. 42). De Østre Landsret is dus verplicht TV2 te gelasten onrechtmatigheidsrente te betalen.

Omvang van de onrechtmatige staatssteun

TV2 had een deel van de ontvangen steun doorbetaald aan met haar verbonden ondernemingen. Bovendien was een deel van de steun door een staatsonderneming aan TV2 uitgekeerd. De Østre Landsret wilde van het Hof weten of hij bij het vaststellen van de omvang van de onrechtmatige staatssteun met deze omstandigheden rekening moet houden. Aan deze vraag maakt het Hof weinig woorden vuil. Het Hof heeft in eerdere arresten al geoordeeld dat de door Østre Landsret bedoelde middelen staatssteun vormen (r.o. 45-49). Hier heeft het Hof niets aan toe te voegen.

Commentaar

In het arrest gaat het Hof in op de taakverdeling tussen de Commissie en de nationale rechter bij de toepassing van de staatssteunregels. De Commissie heeft de exclusieve bevoegdheid om te beoordelen of steunmaatregelen met de interne markt verenigbaar zijn. Tot het moment dat de Commissie een definitief besluit heeft genomen, moet de nationale rechter erop toezien dat de rechten van de justitiabelen worden gevrijwaard in geval een lidstaat de standstill-verplichting schendt (r.o. 17). In voorkomend geval kan de nationale rechter blijkens het Klausner Holz arresthetzij besluiten om de uitvoering van de betrokken maatregel op te schorten en de terugvordering van de reeds verrichte betalingen te gelasten, hetzij besluiten om voorlopige maatregelen te gelasten teneinde enerzijds de belangen van de betrokken partijen te beschermen en anderzijds het nuttige effect van de latere beslissing van de Commissie te behouden” (r.o 26).

Op het moment dat de Commissie een reeds ten uitvoer gelegde steunmaatregel achteraf met de interne markt verenigbaar verklaart, hoeft de begunstigde de ontvangen steun niet terug te betalen. Wel moet deze onderneming over de periode van onrechtmatigheid rente betalen. Dit geldt dus niet alleen voor de situatie dat de verenigbaarheid is gebaseerd op artikel 107 VWEU, maar ook als die gebaseerd is op artikel 106 lid 2 VWEU. Voor DAEB maatregelen wordt dus geen uitzondering gemaakt!

* foto van xavier xanders op www.unsplash.com



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

twee + 5 =