Als de ACM een boete heeft opgelegd, mag de Bank de bankrelatie beëindigen

In een vonnis van 15 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (Rechtbank) geoordeeld dat de Rabobank (Bank) de bankrelatie met onroerendgoedhandelaar X [X] mag beëindigen vanwege een door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) opgelegde boete.

De casus

Bij besluit van 13 december 2011 heeft de rechtsvoorganger van de ACM, de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan X een boete opgelegd van € 450.000,– wegens overtreding van het kartelverbod. X zou deelgenomen hebben aan kartelvorming op executieveilingen. Het door X tegen dit besluit gemaakte bezwaar, werd door de ACM bij besluit van 7 januari 2013 ongegrond verklaard. Vervolgens ging X in beroep bij de rechtbank Rotterdam. Dit beroep was nog aanhangig op het moment dat de onderhavige zaak werd behandeld.

Op verzoek van de Bank ondertekende X in mei 2012 een integriteitsverklaring. In die verklaring had X ontkennend geantwoord op de vraag of hij de afgelopen 5 jaar te maken had gehad met “integriteitincidenten”. X had alleen vermeld dat er een landelijk ACM onderzoek liep “naar prijsafspraken van handelaren die kopen op veilingen” [r.o. 2.4].

Begin januari 2013 deed de Bank X een nieuw financieringsvoorstel ter vervanging van een openstaand krediet [r.o. 2.8]. Vervolgens bevroor de Bank medio november 2013 € 300.000,– op de rekening-courant van X. X had hierdoor niet meer de beschikking over zijn volledige kredietfaciliteit. Daarnaast deelde de Bank mee voornemens te zijn de bank- en kredietrelatie met X te beëindigen [r.o. 2.11].  De Bank baseerde haar actie op art. 21 lid 2 sub f van de Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen van de Rabobank 2010 op grond waarvan de Bank een krediet kan opzeggen als de relatie tussen de Bank en de kredietnemer “naar het oordeel van de bank een gevaar is of kan zijn voor de aantasting van de integriteit en/of de reputatie van de financiële sector en/of de bank” [r.o. 4.2].

In een kort geding vorderde X kort samengevat dat de Bank veroordeeld zou worden de bank- en kredietrelatie te continueren [r.o. 2.11].

Oordeel van de Rechtbank

Beoordelingskader

Of de Bank tot beëindiging mag overgaan, wordt volgens de Rechtbank mede bepaald door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zal beoordeeld moeten worden aan de hand van een afweging van belangen met inachtneming van alle omstandigheden van het geval [r.o. 4.3].

Twijfel juistheid besluit ACM

X had de juistheid van het besluit van de ACM betwist. Omdat X de besluiten van de ACM in de onderhavige procedure echter onvoldoende had bestreden, twijfelt de Rechtbank niet aan de juistheid van de betreffende besluiten [r.o. 4.3]. De Rechtbank gaat er daarom “vooralsnog” vanuit dat X een “prominente rol heeft gespeeld” bij de kartelvorming op executieveilingen [r.o. 4.3].

Belangenafweging
Belangen van de Bank 

De X verweten gedraging vormt in de visie van de Rechtbank een “ernstige mistand”. Als gevolg van deze misstand blijven zowel de schuldenaar wiens woning op de executieveiling wordt verkocht, als diens schuldeiser (de bank) benadeeld. De schuldenaar blijft met een grotere restschuld zitten en de bank met een moeilijker inbare vordering. Dit brengt mee dat:

(i) indien bekend wordt dat zij doorgaat met de financiering van de vastgoedhandel van X, zowel de Bank als de gehele financiële sector het gevaar loopt op ernstige aantasting van de reputatie en integriteit, en
(ii) de Bank het risico loopt feitelijk de torpedering van haar eigen executoriale verkopen te te financieren.

In de visie van de Rechtbank zijn dit bijzonder zwaar wegende belangen die meebrengen dat niet “licht” van de bank kan worden verlangd dat zij onder deze omstandigheden doorgaat met financiering en met de bancaire relatie als zodanig. Dat de Bank zelf ook smetten op haar blazoen heeft, maakt dit niet anders [r.o. 4.4].

Belangen van X

X heeft onvoldoende aangetoond dat het verstrekte krediet noodzakelijk is voor de voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten. Daarom kan de Rechtbank niet aannemen dat X zijn bedrijfsactiviteiten zal moeten staken. Bovendien wordt de financiering niet in één keer beëindigd. X zal dus voldoende tijd hebben om naar financiering door een andere bank om te zien.

Het feit dat de Bank X een nieuw krediet heeft toegekend, kan de Bank niet worden tegengeworpen. X heeft immers verzuimd de Bank te informeren over het feit dat de ACM hem een boete had opgelegd.

Vonnis

De vorderingen van X worden door de Rechtbank afgewezen.

Commentaar

De onderhavige uitspraak is vanuit mededingingszicht best bijzonder. Een bank mag de contractuele relatie met een onderneming onder omstandigheden beëindigen als die onderneming door de ACM is beboet voor een overtreding van het kartelverbod. Niet uitgesloten kan worden dat de Bank zich vanwege de impopulariteit van executieveilingen genoodzaakt zag tegen X op te treden. Mogelijk meende de Bank bovendien zelf ook benadeeld te zijn. Of ook in andere situaties kartellisten moeten vrezen dat hun bank- en/of kredietrelatie wordt beëindigd, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Verder valt op dat een niet-onherroepelijk geworden boete voor de Bank voldoende is om de bank- en/of kredietrelatie te beëindigen. Wil de beboete onderneming dit voorkomen, dan moet worden aangetoond dat er reden is te twijfelen aan de juistheid van het boetebesluit. Zeker in een kort geding zal dat geen gemakkelijke opgave zijn. Bovendien lijkt de Rechtbank ook naar de toekomst te kijken. Volgens de Rechtbank loopt de Bank immers het risico dat zij de torpedering van haar eigen executoriale verkopen financiert. Uit het vonnis blijkt niet waar dit oordeel op is gebaseerd. Is de “kartelvorming op executieveilingen” nog niet gestaakt? Hoe dan ook, mogelijk had een plechtige belofte laatstbedoeld risico weg kunnen nemen. Het zou in ieder geval het proberen waard zijn geweest.



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

3 × een =