ACM publiceert Leidraad samenwerking landbouwers

Leidraad samenwerking in de landbouw

Op 7 september 2022 heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de Leidraad samenwerking landbouwers (Leidraad) gepubliceerd. Hierin staan de belangrijkste mogelijkheden voor samenwerking tussen landbouwers die vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt zijn toegestaan. De Leidraad is volgens de ACM voor landbouwers de eerste stap om mogelijke samenwerking te onderzoeken.


Opzet van de Leidraad

In de Leidraad gaat de ACM allereerst in op de relatie tussen enerzijds de mededingingsregels en anderzijds het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Vervolgens wordt een toelichting gegeven op de verschillende vormen van samenwerking die op grond van de GMO zijn toegestaan. Tot slot worden de samenwerkingsmogelijkheden besproken die op basis van de algemene (Europese en Nederlandse) mededingingsregels zijn toegestaan.

Mededinging in de landbouw

Van oudsher neemt de landbouw in Europa een bijzondere positie in. Daarom werd al bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de voorloper van de huidige Europese Unie (EU), een GLB ontwikkeld. Met dit beleid worden 5 doelstellingen nagestreefd, die thans in artikel 39 lid 1 VWEU staan:

(i)het doen toenemen van de productiviteit van de landbouw
(ii)het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking
(iii)het stabiliseren van de markten
(iv)het veiligstellen van de de (voedsel)voorziening
(v)het verzekeren van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers

De ACM wijst erop dat er in Verordening 1308/2013 (de GMO Vo) specifieke mogelijkheden voor samenwerking in de landbouw zijn uitgewerkt. Het gaat daarbij om vormen van samenwerking die de concurrentie beperken en dus normaal verboden zijn. In de landbouw zijn die echter toegestaan. Tot slot zijn volgens de ACM de algemene mededingingsregels relevant op het moment dat de beoogde samenwerking van landbouwers niet voldoet aan de voorwaarden van de GMO Vo.

Samenwerking tussen landbouwers binnen de GMO

Toepasselijkheid GMO Vo

De GMO Vo is van toepassing op de in bijlage I bij deze verordening opgesomde landbouwproducten. Het gaat daarbij niet alleen om landbouwproducten die – al dan niet na verwerking – geschikt zijn voor menselijke consumptie. Ook veevoer en zelfs bloemen en planten vallen eronder. In de Leidraad blijven de visserij- en aquacultuurproducten buiten beschouwing. Voor deze producten gelden namelijk aparte regels.

(i) Samenwerking binnen erkende (unies van) producentenorganisaties

Erkende producentenorganisaties (PO’s) mogen en in bepaalde sectoren moeten (zoals in de sector groenten en fruit) bepaalde doelen nastreven (artikelen 152 en 160 GMO Vo). Sommige van die doelen beperken de mededinging:

het plannen van de productie en afstemmen op de vraag in het bijzonder met betrekking tot de omvang en de kwaliteit
het bundelen van het aanbod van de leden
de producten van de leden verkopen

Op het moment dat dergelijke doelen worden nagestreefd, zijn de leden in beginsel verplicht hun volledige productie via hun PO af te zetten. De leden mogen zich niet met de verkoop bemoeien. De verkoopvoorwaarden kunnen uitsluitend door de PO worden vastgesteld. Slechts met uitdrukkelijke toestemming van de PO is het de leden toegestaan een deel van hun productie buiten de PO om verkopen. Van dit deel van de productie moeten de individuele leden zelfstandig de verkoopvoorwaarden bepalen.  

Onderlinge afstemming van de verkoopvoorwaarden door PO’s is verboden, tenzij zij lid zijn van erkende unie van productenorganisaties (UPO). Een UPO mag namelijk dezelfde activiteiten en taken uitvoeren als PO’s (artikel 156 lid 1 2e alinea GMO Vo).

(ii) Samenwerking binnen erkende brancheorganisaties

Brancheorganisaties (BO’s) kunnen worden gevormd door vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie en bij ten minste de verwerking of verhandeling (met inbegrip van de distributie) van producten die onder de GMO Vo vallen (artikel 157 lid 1 sub (a) GMO Vo). Net als PO’s, kunnen ook BO’s diverse doelen nastreven (artikel 157 lid 1 sub (b) GMO Vo). De in dit kader op te stellen voorschriften (overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen) mogen niet in strijd zijn met de Unievoorschriften. Hiervan is in ieder geval sprake indien de voorschriften (artikel 157 lid 4 GMO Vo):

(i)ongeacht in welke vorm kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Unie
(ii)de goede werking van de GMO in gevaar kunnen brengen
(iii)concurrentieverstoringen kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de met de activiteit van de BO nagestreefde doelstellingen van het GLB
(iv)de vaststelling van prijzen of quota omvatten
(v)discriminatie kunnen veroorzaken of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen uitschakelen

(iii) Andere mogelijkheden voor samenwerking

In artikel 209 GMO Vo staan voor de landbouw twee specifieke afwijkingen van het kartelverbod. Het kartelverbod geldt niet voor afspraken (overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen) tussen landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, erkende PO’s of UPO’s, mits die afspraken:

(i)vereist zijn voor de verwezenlijking van alle doelstellingen van het GLB, of
(ii)betrekking hebben op de productie of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten en die de doelstellingen van het GLB niet in gevaar brengen

In beide gevallen mogen de afspraken (a) niet de verplichting inhouden identieke prijzen toe te passen of (b) tot gevolg hebben dat de mededinging wordt uitgesloten.

(iv) Duurzaamheidsinitiatieven

Sinds 7 december 2021 is het toegestaan afspraken (overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen) te maken die (i) verband houden met de productie van of de handel in landbouwproducten en die (ii) tot doel hebben een duurzaamheidsnorm toe te passen die verder gaat dan hetgeen door het Unierecht of het nationale recht is voorgeschreven. In het kader van deze afspraken kunnen mededingingsbeperkingen worden opgelegd, mits die onontbeerlijk zijn voor het behalen van nagestreefde duurzaamheidsnorm. De afspraken kunnen worden gemaakt door:

(a)meerdere landbouwers, of(horizontaal)
(b)één of meer landbouwers en één of meer marktdeelnemers die actief zijn op verschillende niveaus van de productie, verwerking en handel binnen de voedseltoeleveringsketen, waaronder de distributie(verticaal)

De ACM wijst erop dat onduidelijk is hoe deze nieuwe afwijking van de mededingingsregels in de praktijk kan worden toegepast. Mogelijk gaan door de Europese Commissie uiterlijk op 8 december 2023 te publiceren richtsnoeren meer duidelijkheid bieden.

Samenwerking die in alle sectoren is toegestaan

In de Leidraad wordt de nadruk gelegd op afspraken tussen concurrenten, dat wil zeggen “ondernemingen die (i) en soortgelijk product maken en (ii) hun producten in hetzelfde geografische gebied verkopen”. Afspraken tussen concurrenten die geen of weinig effect op de mededinging hebben, zijn volgens de ACM toegestaan. In verband hiermee verwijst de ACM naar de Leidraad Samenwerking tussen concurrenten. Op het moment dat de mededinging wel merkbaar wordt beperkt, kan mogelijk een beroep worden gedaan op de wettelijke uitzondering van artikel 101 lid 2 VWEU of artikel 6 lid 3 Mw.

Bespreking

In de blog Bespreking ACM Leidraad mededinging in de landbouw worden enkele opvallende onderdelen van de Leidraad besproken.

*Foto van S N Pattenden via unsplash.com000000000000000000000



Als advocaat ben ik gespecaliseerd in mededingingsrecht, staatsteun, marktordening in de landbouw (GMO) en compliance. Naast mijn werk voor DVAN advocaten ben ik buiten promovendus bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Wageningen Universiteit en onderzoek ik de ‘De rol van producentenorganisaties in het gemeenschappelijke landbouwbeleid’.

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

vijf × 4 =